Minister Slob had Haga-bestuur niet mogen opdragen op te stappen

Er is volgens de rechter geen sprake van ontoereikend burgerschapsonderwijs op het Haga en slechts in beperkte mate van financieel wanbeheer.
Jongens en mannelijke docenten bidden op het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam, december 2019.
Jongens en mannelijke docenten bidden op het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam, december 2019. Foto David van Dam

Minister Arie Slob (Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) had het bestuur van het Cornelius Haga Lyceum niet mogen opdragen op te stappen. De Amsterdamse bestuursrechter heeft maandag bepaald dat de belangrijkste aantijgingen van de minister tegen de school onvoldoende onderbouwd zijn. Er is volgens de rechtbank geen sprake van ontoereikend burgerschapsonderwijs op het Haga en slechts in beperkte mate van wanbeheer. De rechtbank heeft de aanwijzing van de minister vernietigd. Die gaat tegen de uitspraak in beroep.

Slob baseerde zijn zogeheten ‘aanwijzing’ aan het Haga-bestuur op een zeer kritisch rapport van de Inspectie van het Onderwijs over de islamitische middelbare school. De rechter spreekt zich nu uit tegen de belangrijkste bevindingen uit dat rapport. Zo houdt het Haga zich volgens de rechtbank aan de beperkte wettelijke eisen voor burgerschapsonderwijs en „gaan de eisen die de minister aan de school stelt te ver”.

Ook zei de rechter het er niet mee eens te zijn dat de school „openlijk afstand moet nemen van personen met salafistisch gedachtegoed”. Die keuze valt binnen de vrijheid van het onderwijs, aldus de rechtbank. Bovendien acht de rechter van de vijf door de Inspectie genoemde personen óf niet bewezen dat ze dat salafistisch gedachtegoed aanhangen óf niet dat ze dat op de school uitdragen.

Lees ook deze reconstructie van hoe de Inspectie haar boekje te buiten ging bij het Haga

Slechts beperkt wanbeheer

Het andere belangrijke verwijt van de Inspectie - en daarmee van Slob - was dat het Haga-bestuur zich schuldig zou maken aan financieel wanbeheer. De rechter zei dat de minister „op veel punten niet duidelijk heeft gemaakt waarom uitgaven onrechtmatig zijn geweest”. Belangrijk hierin is onder andere dat de Inspectie in een eerder ongepubliceerd rapport van veel van de punten die het oordeel van wanbeheer staafden nog zei dat die niet onrechtmatig waren. Op vier punten blijft de aanklacht van wanbeheer volgens de rechter wel staan, maar die zijn onvoldoende om het bestuur op te dragen op te stappen. Die sanctie is volgens de rechtbank „onevenredig”.

Voorlopig betekent dit vonnis dat de deuren van het Haga geopend blijven en dat de rijksfinanciering door loopt. Wat betreft de school heeft de Inspectie „geen enkele reden meer” om het strenge toezicht waaraan ze het Haga sinds het rapport onderwerpt voort te zetten, maar de Inspectie zegt de uitspraak eerst rustig te willen bekijken alvorens te bepalen wat die betekent voor haar werk op de school. Het Haga eist naar eigen zeggen een schadevergoeding van het ministerie van Onderwijs en de gemeente Amsterdam, die het Haga vorig jaar onder een moratorium plaatste. Volgens directeur Soner Atasoy heeft het de school tonnen gekost om telkens te procederen tegen de staat. Dat geld wil hij nu terug.

In een reactie zegt Slob „een ongemakkelijk gevoel” te hebben bij het vonnis. „De rechtbank constateert namelijk dat er ruimte is in deze school voor personen met een antidemocratisch en anti-integratief gedachtegoed.” De minister erkent dat de huidige wetgeving „onvoldoende basis” biedt voor een aanwijzing, maar gaat niettemin in beroep. Hij noemt in zijn reactie een nieuw wetsvoorstel dat een scherper kader moet bieden voor burgerschapsonderwijs. Dat voorstel kwam voort uit de Haga-casus en ligt momenteel bij de Tweede Kamer.

Voor schooldirecteur Atasoy voelt het vonnis niet als winst, zegt hij. Dat is het pas „als de tegenwerkingen stoppen”. Hij wijst niet alleen op de houding van de minister, die volgens hem „oerdom en kinderachtig” reageert door „niet in gesprek, maar in beroep” te gaan, maar ook op de gemeente Amsterdam, met wie het Haga overhoop ligt over de huisvesting. Amsterdam zegt in een reactie aan haar „huisvestingsplicht te blijven voldoen”. Naar verwachting volgt nog een rechtszaak over de vraag wie de uitbreiding van het huidige schoolgebouw in Amsterdam-West mag verzorgen.

Al in juni 2019 zetten onderwijsexperts in NRC vraagtekens bij het inspectierapport

Een langlopende strijd

De felle en veelal juridische strijd tussen de overheid en het Haga die voorlopig lijkt te zijn beslecht in het voordeel van de school, begon rond de jaarwisseling van 2018 en 2019. Toen waarschuwde inlichtingendienst AIVD voor antidemocratische tendensen op het Haga en mogelijke banden van de schoolleiding met een terroristische groepering. Dit leidde tot uitvoerig onderzoek van de Inspectie, die concludeerde dat van antidemocratisch onderwijs geen sprake was, maar dat het Haga-bestuur zich schuldig maakt aan wanbeheer, zelfverrijking en belangenverstrengeling. Ook beoordeelde de Inspectie het burgerschapsonderwijs op het Haga als onvoldoende.

Naar aanleiding van het rapport gaf minister Slob het Haga-bestuur de opdracht zich terug te trekken. Toen ze dat weigerde, kondigde de minister aan de financiering van de school stop te zetten – een nog nooit eerder genomen maatregel. In november oordeelde de Raad van State echter dat Slob de bekostiging alleen in stapjes had mogen terugschroeven óf met een heel goede argumentatie had moeten komen om de financiering zo radicaal te stoppen.

Deze uitspraak kondigde een kering van het tij aan voor het in diskrediet gebrachte Haga. Twee weken later kwam de toezichthouder van de AIVD met een kritische evaluatie van de waarschuwingen van de dienst over het Haga. De AIVD had weliswaar terecht gewaarschuwd voor de school, maar meerdere elementen van de waarschuwingen waren „onvoldoende onderbouwd”, aldus de toezichthouder.

Uit onderzoek van NRC bleek vervolgens dat de Onderwijsinspectie nauw betrokken was bij de taskforce die opties verkende de school te sluiten en bovendien nog tijdens haar onderzoek al achter de schermen bij het Haga-bestuur aandrong op vertrek van directeur Soner Atasoy. Uit de hoek van onderwijsexperts kwam kritiek op het gebrek aan onafhankelijkheid van de Inspectie. Met dit vonnis wordt die kentering doorgezet, nu ook de rechter zich tegen het optreden van de overheid uitspreekt.