Een coalitie sluiten met je tegenpool? Politici in Europa leren het

Politieke fragmentatie Het is een moreel dilemma voor politici in Europa: principieel blijven of vuile handen maken door mee te regeren?

De leider van de Oostenrijkse Groenen Werner Kogler (links) tijdens een partijcongres in Salzburg op 4 januari. De partij besloot ondanks onvrede samen te werken met de conservatieve ÖVP.
De leider van de Oostenrijkse Groenen Werner Kogler (links) tijdens een partijcongres in Salzburg op 4 januari. De partij besloot ondanks onvrede samen te werken met de conservatieve ÖVP. Foto Barbara Gindl/AFP

Op een partijcongres van de Oostenrijkse Groenen in Salzburg, begin deze maand, weigerde Flora Lebloch het nieuwe regeerakkoord met de conservatieve ÖVP goed te keuren. Lebloch, van de jongerenafdeling, gaf toe: dit was het groenste regeerakkoord ooit. De Groenen hadden zware ministeries gekregen. Maar ze vertrouwde de conservatieven voor geen cent, met hun focus op migratiebeperking, terreurbestrijding en belastingverlaging. Hoe konden zij in vredesnaam met hen in zee? ÖVP-leider Sebastian Kurz, waarschuwde Lebloch, „is een blender, een ijskoude bedrieger”.

Ondanks dit soort tegengeluiden keurde 93 procent van de Groenen het regeerakkoord goed. Drie dagen later werd de eerste groen-conservatieve regering ooit geïnstalleerd in Oostenrijk. Maar de debatten die de Groenen in Salzburg voerden, zullen niet gauw verstommen. Elders in Europa resoneren ze ook. Want ze gingen over een moreel dilemma waarmee veel politici in het politiek fragmenterende Europa worstelen: hoe kun je coalities vormen met partijen met wie je weinig gemeen hebt, méérdere partijen soms, zonder je ziel aan de duivel te verkopen?

Lees ook deze analyse over het regeerakkoord tussen de conservatieven en de groenen in Oostenrijk

Over dat dilemma sprak de Oostenrijkse Groene partijleider, Werner Kogler, een uur lang op het Salzburg-congres. Met een gifgroene bril op zei hij dat het makkelijker was geweest in de oppositie te blijven. Dan maak je geen vuile handen en kun je principieel blijven. Maar dan zou de extreem-rechtse FPÖ opnieuw met de conservatieven zijn gaan regeren – wat véél erger zou zijn voor het milieu, voor minderheden, vluchtelingen en de Europapolitiek. Ja, beaamde Kogler, conservatieven hebben andere ideeën over alles. Maar „wij hebben onze principes echt niet bij de garderobe afgegeven”.

Weg zijn de middenpartijen

Oostenrijk is niet het enige westerse land waar de politiek steeds verder fragmenteert. Grote, gevestigde middenpartijen worden kleiner, steeds meer nieuwe partijen komen in het parlement. Daardoor heb je meer partijen nodig om een meerderheid te vormen. In landen waar men radicale, populistische partijen buiten de regering wil houden, maakt dat coalitievorming lastiger dan ooit – nationaal, in provincies en gemeenten.

In Spanje, waar conservatieven en socialisten vroeger samen 80 procent van de stemmen haalden, moest de socialistische leider, premier Pedro Sánchez, na twee verkiezingen toegeven dat hij alleen kon regeren als hij met linkse en regionale partijen een coalitie sloot. De formatie sleepte maanden voort. Begin deze maand vormde Sánchez eindelijk een regering. Het is de eerste keer sinds 1978 dat Spanje een coalitieregering krijgt – een kaap lijkt gerond.

Lees ook:Duitse coalitie heeft alleen slechte opties

Ook in Duitsland versnippert het politieke landschap. In 2017 schraapten de conservatieve CDU/CSU en de socialistische SPD net een meerderheid bij elkaar. De formatie duurde ruim een half jaar. België zit al sinds mei 2019 zonder gekozen regering omdat de formatie niet vlot. De vorige coalitie regeert als lame duck nog even door.

Oostenrijk werd na de val van de regering van conservatieven en de radicaal-rechtse FPÖ, eind mei, negen maanden bestuurd door een technocratische regering. Die regering, geleid door een voormalig rechter, was de populairste sinds tijden. Volgens politiek analist Peter Hajek kwam dat doordat de technocraten „geen ruzie maakten, niet spinden en niet permanent op campagne waren. Ze deden gewoon hun werk.”

Nederland is kampioen fragmentatie

Nederland is, met vier partijen in één regering, kampioen fragmentatie. De grootste partij heeft minder dan 20 procent van de stemmen en kiezers worden steeds minder loyaal: bij elke verkiezing verandert een kwart van het electoraat van partij. Politieke wetenschappers noemen politieke fragmentatie ook wel Dutchification.

Sommigen zien die fragmentatie als iets negatiefs. Stabiele regeringen zijn moeilijker te vormen met zo veel partijen, zeggen zij. Daardoor zou het vertrouwen van burgers in de politiek en democratie eroderen. Anderen, zoals Pepijn Bergsen van de Londense denktank Chatham House, zijn minder somber. In Nederland, schreef Bergsen laatst, steeg de tevredenheid van burgers over de democratie terwijl Dutchification haar werk deed. In Denemarken en Zweden, waar men door de moeilijke regeringsformatie steeds vaker minderheidsregeringen vormt, is respectievelijk 90 en 80 procent tevreden met de democratie. Ter vergelijking: in het VK was 52 procent tevreden en in Frankrijk 53 procent. In die landen zorgt het kiesstelsel ervoor dat de fragmentatie beperkt blijft. „Dutchification is vooral een bijproduct van een meer competitieve politieke markt”, schrijft Bergsen. „De versnipperde parlementen die hier het gevolg van zijn, vertegenwoordigen de diverse groepen binnen Europese samenlevingen beter.”

Junior partner

Positief of niet, fragmentatie bemoeilijkt het leven van politici, vooral bij kleinere partijen. In juni 2019 schreven politicologen Heike Klüver en Jae-Jae Spoon in de Journal of Politics dat kleine partijen die in een coalitieregering stappen bijna altijd gestraft worden bij de volgende verkiezingen. Klüver en Spoon onderzochten 307 Europese partijen in 219 verkiezingen tussen 1972 en 2017. Dat kleine coalitiepartijen vaak verkiezingen verliezen, heeft twee redenen: „Van alle beloftes die ze van tevoren deden, hebben ze er als junior partner weinig kunnen uitvoeren. En ze konden zich naast een grotere coalitiepartner niet goed profileren bij de kiezers.”

Zo kelderde de Duitse liberale FDP, die meeregeerde van 2009 tot 2013, van bijna 15 procent naar minder dan 5. De partij loste maar 15 procent van de verkiezingsbeloftes in. Haar grote coalitiepartner, CDU/CSU van Angela Merkel, loste de helft van de beloftes in. Geen wonder dat veel SPD’ers in 2017 de oppositie in wilden. Zij werden overstemd. Intussen is de SPD in de peilingen ingehaald door de Groenen. Merkel ‘eet’ haar coalitiepartners, zeggen ze in Berlijn.

In Oostenrijk regeerde de radicaal-rechtse FPÖ sinds 1999 tweemaal met de ÖVP. En tweemaal werd ze gedecimeerd en splitste de partij. In het VK werden de Liberal Democrats weggevaagd na de coalitie met de Tories. Alleen in Italië neemt politieke fragmentatie momenteel niet toe. Die is daar sinds 1945 heel gewoon geweest. Het naoorlogse systeem maakt het partijen expres moeilijk om dominant te worden.

Voor de Groenen is coalitievorming vaak moeilijker dan voor andere, meer pragmatische partijen. Groene partijen zijn principepartijen. Het is moeilijker compromissen te sluiten over principes dan over belangen. Maar als iedereen liever in de oppositie blijft, zoals GroenLinks onder Jesse Klaver, wordt coalitievorming nog gecompliceerder en worden landen, provincies of gemeentes onbestuurbaar. De vraag luidt dus: hoe kunnen de kleinen compromissen sluiten en meeregeren, zónder dat ze hun eigen doodvonnis tekenen?

In Oostenrijk hebben de coalitiepartners daar een formule voor. De ÖVP runt de ministeries die voor zijn kiezers belangrijk zijn, zoals binnenlandse zaken, Europa en financiën. De Groenen krijgen wat voor hún kiezers prioriteit heeft, zoals milieu, energie en sociale zaken. Binnen een bepaalde bandbreedte gaan beide op hun ‘eigen’ terreinen hun gang. Deze formule hebben eerdere coalitieregeringen ook altijd toegepast

Een rot compromis

In zijn boek On Compromise schrijft de Israëlische filosoof Avishai Margalit dat alle politieke compromissen acceptabel zijn – totdat het rotten compromises worden. „Die moeten onder alle omstandigheden worden verbannen.” Een rot compromis is volgens Margalit een politiek akkoord dat leidt tot „het vestigen of in stand houden van een onmenselijk regime, een regime van wreedheid en vernedering dat mensen niet als mensen behandelt”.

Precies hierover gingen de debatten van de Oostenrijkse Groenen in Salzburg begin deze maand: is het regeerakkoord een rot compromis of niet? Want de migratieplannen van de ÖVP vonden velen moeilijk te verteren. „We hebben tig elementen uit het akkoord gehouden die nog veel erger zijn”, zei een van de onderhandelaars toen iemand begon over ÖVP-plannen als preventieve detentie voor jonge asielzoekers en een hoofddoekverbod voor meisjes onder de veertien.

De partijleiding verkocht het dus als gewoon compromis. Maar voor Flora Lebloch, van de jongerenafdeling, blijft het een rot compromis. „Zeggen dat we de FPÖ de pas hebben afgesneden, is niet genoeg. De ÖVP is en blijft een autoritaire, rechtse partij.”

Voorlopig waarderen burgers het conservatief-groene experiment wel. Een recente peiling van het blad Profil toont dat de Groenen sinds de verkiezingen in september zijn opgestoomd van de vierde naar de tweede plaats.