Opinie

Angst voor democratie - een nationale ziekte

Tom-Jan Meeus

Elke politicoloog kan je vertellen hoe je ontevredenheid over de democratie bestrijdt: met méér democratie. Mensen voelen zich vaak onvoldoende gehoord, en dat is ook logisch: in onze democratie heeft de kiezer nooit het laatste woord. Er komt altijd een instantie achteraan – de Kamer, een informateur, het CPB, het kabinet, etc. – die beslist wat de kiezer precies bedoeld moet hebben. Zo eindigt democratie hier altijd in angst voor democratie.

Het verklaart het structurele verlangen bij de bevolking naar referenda en andere directe democratie, ondanks ongemakkelijke ervaringen in eigen land (Oekraïneverdrag) en bij de buren (Brexit). Zeker sinds D66 meehielp aan de intrekking van het raadgevend referendum – dat de partij zelf mede initieerde – is het referendum een belangrijk punt voor antisysteempartijen geworden. Vooral PVV, Forum voor Democratie en Partij voor de Dieren zijn uitgesproken vóór.

Alleen: ook in die kringen is de behoefte aan directe democratie nogal dubbelzinnig. De Volkskrant schetste maandag hoe de PvdD de invloed van haar leden wil terugdringen bij de verkiezing van een nieuwe voorzitter. De vorige voorzitter werd tegen de voorkeur van het partijbestuur gekozen. Kort hierna royeerde ditzelfde partijbestuur hem omdat hij opvattingen aan media prijsgaf. Een partijvoorzitter met openbare opvattingen – dat kan natuurlijk niet.

En nu heeft het partijbestuur bedacht dat een selectiecommissie - in elk geval bestaande uit twee bestuursleden en partijleider Esther Ouwehand - bepaalt welke kandidaten worden toegelaten bij de volgende voorzittersverkiezing.

Dus volgens het partijprogramma wil de PvdD dat „de directe democratie” een „prominentere plaats” krijgt – behalve dan in de PvdD zelf.

Dezelfde schizofrenie kennen we al jaren van Wilders: hij wil meer referenda, want „de democratie verkeert in zwaar weer”, maar ledendemocratie in eigen kring is totaal taboe. Bij FVD is het amper beter. Volgens het programma zijn „referenda de enige manier om de invloed van het partijkartel terug te dringen” maar de eigen partijleden hebben de facto geen invloed op de samenstelling van het partijbestuur.

Het is de droevige stand van de democratiekritiek binnen de democratie: partijen die gretig klagen dat naar gewone burgers niet wordt geluisterd, waarna zij ook zelf niet bereid zijn naar hun gewone leden te luisteren.

Soms denk je: later, als mensen deze tijd bestuderen, zullen ze zien hoeveel politici de mond vol hadden van het democratisch tekort – zonder te zien hoe gevaarlijk zwak hun eigen democratiebesef was. Zonder te zien dat de angst voor democratie, die zij anderen verweten, ook in henzelf zat.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Lotfi El Hamidi.