Eén manoeuvre en de hele Haagse links-rechtsverhouding is veranderd

Deze week: een verkenning van de politieke gevolgen nu opvattingen over grote beleidsthema’s naar links zwenken.

Ofwel: wordt dit het decennium van de linkse wederopstanding?

Een bekende PvdA’er appte me begin dit jaar: weet jij hoe het staat met de linkse samenwerking?

Goed punt, geen idee. Vorig najaar zag je sowieso weinig samenwerking in Den Haag. Bij links viel vooral op hoe vaardig de PvdA Jesse Klavers afkeer van Haagse scoringsdrift ridiculiseerde.

We weten het: politiek is liefde.

Toch bleef de vraag hangen. Want je hoeft niet heel goed op te letten om te zien dat we aan de vooravond van een, naar Haagse maatstaven, serieuze omwenteling staan: de opvattingen over grote beleidsthema’s zwenken naar links. De behoefte aan correcties op het kapitalisme leeft over de volle breedte, van VVD tot en met SP, en dus duiken op talrijke terreinen ideeën op die vijf jaar terug kansloos waren.

De WRR stelde deze week vast dat minder flexwerk en meer baanzekerheid gunstig zijn voor de gezondheid van burgers en de economie van het land. Naar verwachting komt een commissie geleid door CDA’er Hans Borstlap volgende week met vergelijkbare aanbevelingen.

De crisis op de woningmarkt, gedreven door woningnood en woekerhuren, leidt tot voorstellen om de invloed van speculanten en andere marktpartijen terug te dringen.

Het klimaat en de stikstofimpasse nopen tot correcties van de ondernemingsgewijze productie.

Het lerarentekort en achterblijvende investeringen in het onderwijs stimuleren pleidooien voor een minder rigide focus op de staatsschuld.

De scepsis over marktwerking in de zorg was nooit eerder zo groot.

Zo keert de politiek, in een vrij plotselinge beweging, terug naar invalshoeken die we kennen van vóór de val van de Muur. Toen de arbeidsmarkt uit vooral vaste banen bestond. Toen kabinetten vielen over grondpolitiek. Toen leraren uitstekend werden betaald. Toen de zorg werd bestuurd via fondsen in plaats van markten.

Maar de vraag is wel of linkse partijen ook in staat zijn deze omwenteling electoraal te verzilveren. En of ze daarvoor de zelfpijniging van de linkse samenwerking aankunnen.

Nu is het bekend dat links voortreffelijk in staat is zijn kansen te vergooien. Vorige maand zagen we nog een knap staaltje in het Verenigd Koninkrijk. Ook daar zwenken de beleidsdiscussies al geruime tijd naar links – The Economist noemt de liberalisering van de woningmarkt deze week bijvoorbeeld ‘the West’s biggest economic policy mistake’.

Maar zelfs drie jaar gestuntel met Brexit door de politieke concurrentie bracht Labour onder Jeremy Corbyn niet verder dan de slechtste uitslag sinds de jaren dertig. Een onthutsende wanprestatie.

Het onderstreept dat electoraal succes maar beperkt wordt gevoed door beleidsdiscussies over economie, markten en structuren. Campagnes win je door de gevoelstemperatuur van kiezers te raken. Het hart beslist meestal: niet het hoofd.

Dus het was geen toeval dat premier Rutte (VVD) en vicepremier De Jonge (CDA) rond de jaarwisseling nieuws maakten over migratie. Een klassieker: afkeer van migratie is deze eeuw de beste manier om thema’s als zorg, wonen en werk uit het hart van het debat te drukken. Het bezorgde links structurele krimp. In 2003 haalden PvdA, GroenLinks en SP samen 59 zetels. In 2017: 37.

Ook de timing van Rutte en De Jonge was tekenend. Het is een pre-verkiezingsjaar, en veel draait dan om agendering: wie weet een slogan of standpunt te introduceren dat de verkiezingscampagne (mede) bepaalt?

Het betekent ook dat partijen vanaf nu zomin mogelijk op andermans voorstellen reageren: geef de concurrentie geen zuurstof.

Zoals een partijleider uitlegde: je weet dat je goed zit als anderen jouw punt gaan uitvergroten; dan kunnen ze er niet meer omheen.

Dus linkse partijen die hun inhoudelijke rugwind willen verzilveren, moeten hun kapitalismekritiek aanscherpen en verpakken in nieuwe symbolen. Zo ongeveer denken ze. Tot nu toe zoekt de PvdA het in (bestaans)zekerheid. De SP in zorg. GroenLinks in de kapitalismekritiek van Piketty.

Je kunt betwijfelen of je daarmee de gevoelstemperatuur van kiezers raakt. Binnen partijen hoor je daarom ook wel ideetjes die zinspelen op linkse identiteitspolitiek. Klaver presenteren als de eerste kandidaat-premier met een migrantenafkomst? Of PvdA’ers die hopen dat Asscher Aboutaleb een rol in de campagne aanbiedt.

En als je dit allemaal overziet is de traditionele aanpak vermoedelijk toch de effectiefste: inbreken in de machtsvraag. Want als PvdA en GroenLinks de krachten bundelen, zouden ze – afgaande op de huidige Peilingwijzer – meteen de grootste partij zijn.

Politiek teruggebracht tot de premiersvraag: wie krijgt de leiding van het land?

Bijkomend voordeel zou zijn is dat je het kunt presenteren als breuk met de versplintering – erg veel kiezers ergeren zich daaraan. Bovendien leert onderzoek van I&O Research dat een meerderheid van PvdA- en GroenLinks-kiezers willen dat hun partijen samengaan. Niet onlogisch: beiden – de PvdA in 1946, GroenLinks in 1988 – zijn opgericht om progressieve krachten te bundelen.

En hoewel de huidige PvdA- en GroenLinks-top beducht zijn voor een fusie, is bekend dat diverse betrokkenen eerder open stonden voor de gedachte. Asscher nam in 2015 deel aan verkennende fusiegesprekken met zijn vriend Maarten van Poelgeest (GroenLinks) en de toenmalige partijleiders Diederik Samsom (PvdA) en Bram van Ojik (GroenLinks). De poging werd gestaakt na het aantreden, zomer 2015, van Jesse Klaver als partijleider.

Nadien stelde Asscher in 2017 een stembusakkoord met GroenLinks voor, en partijprominenten Plasterk en Samsom bepleitten later in 2017 vorming van één Kamerfractie. NOS-reporter Wilco Boom beschreef vorig jaar zomer zelfs dat Asscher en Klaver al zouden praten over „vormen van samenwerking” bij de komende Tweede Kamerverkiezingen.

Rond diezelfde tijd liet I&O Research in een peiling zien dat een samengaan extra stemmen zou opleveren: negen zetels meer dan de som der delen.

Anders gezegd: juist nu een groot deel van de beleidsagenda de kant van PvdA en GroenLinks opkomt, zou een samengaan van die partijen in de tweede helft van dit jaar, hoe ongemakkelijk ook voor de partijleiders, een gamechanger voor de hele campagne zijn. Een voldongen feit dat de strijd om de grootste partij – die de laatste verkiezingen tussen rechtse partijen ging – zou terugbrengen naar rechts versus links.

En je kunt denken: dan beginnen partijen op rechts ook aan een samenwerking. Maar die kans is bijna nul. Wilders en Baudet zijn daar niet van – het is hun voornaamste zwakte. En bijvoorbeeld in de VVD hebben ze het nu al over de harde aanvallen op tegenstanders die ze volgend jaar van plan zijn.

Links heeft in Nederland vaak last gehad van zelfoverschatting, vooral met het stellen van eisen die getalsmatig niet te rechtvaardigen waren. De praktijk is dat het land nooit een linkse meerderheid in de Kamer heeft gehad. Ook niet tijdens het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig.

Sindsdien raakte de stroming in electoraal verval, met de uitslag van 2017 als dieptepunt.

Maar nu heeft de stroming inhoudelijk de wind mee. Hervormingen van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, het klimaat, het onderwijs en de zorg kunnen elk voor zich de aanblik van het nieuwe decennium bepalen.

En met één fusie heeft links bovendien de kans het gezicht van die hervormingen te worden. Al geef ik graag toe dat je de mogelijkheid dat de stroming deze onverwachte kans weet te verspelen, zeker niet mag onderschatten.