Opinie

De verdwenen kinderen

Tommy Wieringa

We zijn voorzichtig met onze kinderen, over het algemeen. We omringen ze met liefde en zorg, proberen ze te behoeden voor grote misstappen en willen weten waar en met wie ze uithangen. Dat geldt ook nog wel voor de kinderen uit de buurt; je houdt een oogje op ze, ook als ze niet van jezelf zijn. Je kent ze van naam of gezicht, bij ongelukken of gevaar ontferm je je over ze tot ze veilig zijn teruggekeerd naar waar ze horen.

Buiten onze gezichtskring wordt het vlug anders. De afgelopen tien jaar verdwenen ruim 2.500 kinderen die aan onze zorg waren toevertrouwd, bleek deze week. Dat is bijna een kwart van alle alleenstaande minderjarige asielzoekers die in Nederland aankwamen. Deze krant vroeg de cijfers op bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en voogdij-instelling Nidos, wat het aantal van 2.556 verdwenen kinderen opleverde. Schijnprecisie, want het Nidos verstrekte bijvoorbeeld geen cijfers over de jaren 2011 tot en met 2014.

We weten vooral heel veel niet. Hoeveel het er precies zijn, waar ze gebleven zijn, met wie ze zijn en wat ze uitspoken. Met onbekende bestemming vertrokken, staat er achter hun naam. Als er een Nederlands kind verdwijnt ontvangen we een Amber-alert. Nieuwsbulletins maken er melding van. Het hele land let op. Bij de verdwijning van een minderjarige asielzoeker klinkt er geen alarm. Er worden geen portretfoto’s gepubliceerd. Het kind wordt geregistreerd als verdwenen, of niet, en dat was het dan. Opgelost in het witte niets. Een griezelige maalstroom die kinderen opslokt.

Van sommigen bestaat het vermoeden dat ze zijn doorgereisd naar familie elders in Europa, anderen vallen in handen van mensenhandelaren. Ze verdwijnen in de criminaliteit, de prostitutie of in het illegale arbeidscircuit. Er zijn kinderen teruggevonden in bordelen, restaurantkeukens en naaiateliers. Omstandigheden van slavernij en uitbuiting. Stellen we ons dit voor met Nederlandse kinderen dan is de wereld te klein. Maar dit zijn onze kinderen niet, ze zijn onze zorg niet.

Wanneer een alleenstaande minderjarige asielzoeker in Nederland arriveert, moet zijn zaak bij de IND eigenlijk binnen zes maanden afgehandeld zijn, maar gemiddeld loopt het uit tot meer dan een jaar. In die tijd wordt het kind vaak drie of vier keer verplaatst naar weer een andere naargeestige opvanglocatie. Officieel beleid is het niet, maar duidelijk is dat hechting van de vaak uiterst kwetsbare, getraumatiseerde kinderen wordt ontmoedigd. Ze worden in het systeem rondgepompt om ze maar niet te laten aarden. Na elke verhuizing wordt het weer aan een nieuwe voogd en een nieuwe mentor toegewezen, zodat er geen betekenisvolle emotionele banden kunnen ontstaan. Hier geaarde kinderen zijn lastige kinderen; zodra ze geaard zijn, zijn er mensen die om ze geven en voor ze opkomen. Het politieke motief is om ontworteling in stand te houden. Voorkomen moet worden dat ze een naam en een gezicht krijgen. Mauro, Nemr, Lily en Howick: hoofdpijndossiers. Niet het belang van het kind staat voorop, zoals vereist volgens het Verdrag voor de Rechten van het Kind, maar dat van de betrokken bewindspersoon: de hoofdpijnen van Mark Harbers of Ankie Broekers-Knol zijn vaker onderwerp van berichtgeving dan de trauma’s van de kinderen. Als paracetamolletje voor de gekwelde bewindslieden is de discretionaire bevoegdheid afgeschaft. Van niks krijg je zo’n barstende koppijn als van humanitaire overwegingen.

De lange wachttijden komen de IND intussen niet slecht uit, want zodra een kind achttien is valt het onder een andere, strengere regeling, die uitzetting kansrijker maakt. Daarom verdwijnen zoveel kinderen voordat ze die leeftijd bereiken. Wordt er over les enfants perdus nog wel eens iets geschreven, om een verdwenen volwassene maalt echt helemaal niemand meer. Ze worden kortom net zo lang afgemat en opgejaagd tot ze uit zichzelf vertrekken. Dat scheelt de IND nieuwe achterstanden, nieuwe incompetentie, nieuw gezichtsverlies. En zo begint het proces van geleidelijke ontmenselijking onder de vleugels van onze rijksoverheid en wordt die voltooid in het bordeel of de sweatshop.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.