Brieven

Brieven

Illustratie
Illustratie Cyprian Koscielniak

Maarten Boudry toont zich in zijn laatste column een cultuurmarxist, althans volgens zijn eigen criteria. In zijn artikel Het spook van de cultuurmarxisten bestaat (11/1/19) definieerde Boudry cultuurmarxisme als een „denkschema” waarin „een complexe maatschappelijke werkelijkheid” wordt herleid tot een waarin „twee groepen lijnrecht tegenover elkaar staan: aan de ene kant de onderdrukkers, aan de andere kant de onderdrukten, en daartussen een groot niemandsland”. Een jaar later past hij dit denkschema nauwgezet toe in zijn beschouwing Liever extreme rijkdom dan extreme armoede (14/1). Boudry presenteert ons daarin exact zo’n dichotome keuze: toveren we armoede in de wereld weg of pakken we de miljardairs hun geld af? Boudry kiest voor het eerste, mede omdat mannen als Bill Gates hun vermogen zo ruimhartig besteden aan goede doelen. Omdat ik, anders dan Boudry, geen filosoof ben, kan ik niet beoordelen of het verstandig is om de publieke zaak over te laten aan private goedertierenheid. Wel weet ik dat het zwart-wit-schema van Boudry in 1917 inderdaad populair was bij Lenin, maar dat in de honderd jaar na zijn communistische revolutie het inzicht toch echt ingrijpend is voortgeschreden. Mag ik Boudry adviseren om eens te rade te gaan bij John Kenneth Galbraith (1908-2006) en andere Amerikaanse economen die zich de afgelopen eeuw zorgen hebben gemaakt over het ondermijnende effect van al te grote inkomensongelijkheid.