‘Wat de oud-militair verkoopt, is de mentaliteit en discipline’

Burgermaatschappij Waar kan je terecht na de krijgsmacht? In het bedrijfsleven komt ‘militairen-dna’ goed van pas. „Winnen is belangrijk. Een tweede plaats kan je dood betekenen.”

Oefenterreinen van defensie uit de serie Playground, van fotograaf Jeroen Hofman.
Oefenterreinen van defensie uit de serie Playground, van fotograaf Jeroen Hofman. Foto Jeroen Hofman

Hij is vierentwintig jaar oud als hij de leiding krijgt over een peloton. Zestig man stuurt Egon Hoppe aan op zijn eerste missie, in Bosnië, 1997. Het is twee jaar ná het einde van de Bosnische burgeroorlog, twee jaar na de genocide in Srebrenica, en de situatie in de regio is nog verre van stabiel. Onder de vlag van een internationale vredesmacht zien pelotons als dat van Hoppe toe op de wederopbouw van het land.

Ze begeleiden hulpkonvooien, ontwapenen strijdende partijen, zien erop toe dat inwoners kunnen terugkeren. „We waren veel op weg. Op zo’n moment stonden we er als peloton echt alleen voor, je bent helemaal op elkaar aangewezen. Niet alleen voor je taak, maar ook voor elkaars veiligheid.”

In zijn peloton zitten enkele dienstplichtige soldaten, „de laatste lichting” – de dienstplicht werd in 1997 opgeschort. „Zij stelden nadrukkelijk vragen over of ze wel levend uit zo’n missie zouden komen. Het wordt dan heel manifest dat je verantwoordelijkheid draagt.”

Hoppe, nu 48 jaar, is als hij op missie wordt gestuurd net klaar met zijn officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Dat is de plek waar je wordt opgeleid voor een leidinggevende functie binnen de krijgsmacht. „In Bosnië viel het abstracte van leidinggeven weg. Het werd realistisch.”

Hoppe klom op tot generaal. In die functie had hij in 2011 een half jaar de leiding over de Nederlandse troepen in Afghanistan. Twee jaar geleden besloot Hoppe over te stappen naar het bedrijfsleven. Hij is nu partner bij accountants- en consultancykantoor Deloitte. Daar bleek wat hij in het leger leerde over teams aansturen heel nuttig.

Gouden verkooppraatje

Dat constateerde Andrea Lapère ook, toen ze vijf jaar geleden besloot een eigen detacheringsbureau te beginnen. Op zoek naar een niche om zich in de uitzendbranche te onderscheiden, kwam ze uit bij oud-militairen die de overstap naar het bedrijfsleven willen maken. Dat is alleen al slim omdat een deel van hen tussen hun drieënvijftigste en zestigste met ‘functioneel leeftijdsontslag’ gaan, een soort vroegpensioen, vanwege het vaak fysiek en geestelijk zware werk dat ze doen.

Maar lang niet iedere militair is er dan al aan toe de dagen thuis te slijten. Voor die mensen zoekt Lapère met haar bureau – ze heeft het Stratego genoemd – een baan in het bedrijfsleven. Ook militairen die nog tijdens hun loopbaan bij defensie toe zijn aan iets anders, kunnen bij haar terecht. „Voor mensen bij de krijgsmacht die een snelle persoonlijke groei doormaken is defensie soms te bureaucratisch. Er is een vast carrièrepad om de top te bereiken. Je moet een aantal functies doorlopen, elk twee, drie jaar. Daar haken mensen weleens af.”

Met de oud-militairen heeft Lapère een gouden verkooppraatje. Volgens haar beschikken ze over een bepaald „militairen-dna”, dat zeer nuttig is op de werkvloer. „Ze kunnen snel schakelen tussen strategisch denken en operationeel uitvoeren. De militair kan goed leidinggeven, maar ook goed leiding ontvangen” En ze zijn enorm gericht op het team, zegt Lapère. „Want als militair leer je wel dat je team zo sterk is als de zwakste schakel.” Tot slot zijn het doorzetters, zegt Lapère, van wie binnenkort een boek over oud-militairen op de werkvloer verschijnt. „Winnen is belangrijk. Want een tweede plaats kan je dood betekenen.” Ze vat het zo samen: „Wat je verkoopt, is met name de mentaliteit en discipline.”

Foto Jeroen Hofman

Fysieke hel

André Skwortsow (39), tot een paar jaar terug marinier, ziet een verleden bij de krijgsmacht vooral als een soort keurmerk. „Mensen denken wel eens dat je een soort übermensch bent als je bij defensie hebt gezeten. Maar je bent niet automatisch fantastisch als je daarvandaan komt. Ik zie het eerder als een soort assessment. Je weet dat mensen bepaalde eigenschappen ontwikkeld hebben, zoals improvisatievermogen.”

Skwortsow is de oprichter van Mud Masters, dat ‘obstakelruns’ organiseert. Deelnemers eraan nemen een modderige hindernisbaan, „geïnspireerd op de hindernisbanen die ik als marinier tegenkwam”, zegt Skwortsow. Bij de opbouw van zijn allereerste hindernisbaan ging er van alles mis – de planning was te krap, het weer was slecht. Toen heeft hij met zijn team, overwegend oud-mariniers, een aantal dagen en nachten doorgewerkt: „De sfeer was: oké, de planning was klote, maar nu moeten we doorknallen.”

Skwortsow werd opgeleid bij het Koninklijke Instituut voor de Marine (KIM), de marine-variant van de KMA. Deel van zijn opleiding was de beruchte Praktische Opleiding tot Officier der Mariniers (ook wel: de POTOM ). Negen maanden lang werd hij als de aspirant-marinier onderworpen aan een programma dat voor de niet-sportievelingen een fysieke hel is. Skwortsow deed oefeningen waarbij hij twintig uur aaneengesloten door de bergen van Engeland liep, met een bepakking van zo’n 40 kilo. Rust was er af en toe, een pauze van vijf of tien minuten. Skwortsow: „En alles is nat en koud.” Wie deze maanden doorstaat, haalt de opleiding. Velen lukt dat niet, bijna de helft van de deelnemers valt af.

Hij heeft veel geleerd van die extreme situaties, van fysiek tot het uiterste gebracht worden, zegt Skwortsow. „Daardoor ontwikkel je doorzettingsvermogen, relativeringsvermogen, een soort vastberadenheid. En kameraadschap onderling, je helpt elkaar er echt doorheen.”

Mores van de krijgsmacht

Dat ervaart Florentien Braat (55) ook. Ze is reservist, een soort militaire oproepkracht, en ging een aantal keer mee naar Bosnië en Afghanistan om te helpen bij de wederopbouw. In haar ‘gewone’ werk is ze projectmanager, sinds kort bij het ministerie van Defensie. Ze kent de mores van de krijgsmacht goed. „Je bent er altijd voor elkaar, door dik en dun. En je let op elkaar. De mentaliteit is: voorwaarts, mars. Niet piepen. Dat past bij mijn karakter.”

Meer oud-militairen zeggen dat de trainingen bij de krijgsmacht vormend waren. Zoals André Lexmond (57). Hij werd op de Koninklijke Militaire School (KMS) opgeleid tot onderofficier, had in zijn twaalf jaar bij defensie (hij zat bij marine en leger) „het geluk en de pech” nooit op missie te gaan. Lexmond werkt alweer jaren bij het Nederlandse dealerbedrijf van Mercedes-Benz. „Er gebeuren in zo’n training voortdurend dingen die je liever niet hebt. Je denkt te gaan eten, en dan is er geen eten. Je bent moe en wilt gaan douchen, wordt er ineens tien kilometer aan een mars vastgeplakt. Dat is leren omgaan met tegenslag, met weerstand. Je kunt er heel verdrietig van zijn, of boos, maar dat helpt je uiteindelijk niet bij het oplossen van het probleem.”

Veel militairen die het leger verlaten ervaren het bedrijfsleven als ‘los zand’

Wat hem in zijn huidige werk ook helpt, is wat hij in het leger leerde over het belang van goede voorbereiding. Lexmond is directeur aftersales. Hij gaat over de werkplaatsen en magazijnen, en geeft leiding aan ongeveer honderd man. „Je maakt als peloton basisafspraken met elkaar. Dat is echt een voorwaarde. Want als je onder druk komt te staan, kun je daar altijd op terugvallen. Zo lever je ook onder druk dezelfde kwaliteit.” Daardoor zorgt hij er in zijn huidige baan nog altijd voor dat heel duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is, en wat er moet gebeuren als dingen anders lopen – als een werknemer onverwacht ziek is, bijvoorbeeld.

Ook volgens oud-generaal Hoppe is goede voorbereiding in het bedrijfsleven minstens zo belangrijk: „Als je als leidinggevende niet investeert in opleiding of in de ontwikkeling van mensen, kun je niet verwachten dat het werk nog steeds lukt als het erop aankomt.” Dat wordt volgens Hoppe in het bedrijfsleven wel eens onderschat.

Nieuw pak

Zijn leger en marine, en in het bijzonder de officiersopleidingen, een soort extreme businessschool? Hij leerde er goed managen, beaamt Rob Zandbergen (61). Hij deed de KMA en werkte twaalf jaar bij defensie. Uitgezonden werd hij niet – „in mijn tijd was het een operetteleger.” Daarna maakte hij de overstap naar KPN, waar hij onder meer financieel directeur was.

„Toen ik naar KPN ging, miste ik misschien wat inhoudelijke kennis. Maar je managementkwaliteiten zijn wel beter dan die van iemand die van de universiteit komt.” Een van de belangrijkste dingen die meekreeg bij de krijgsmacht? „Een can do-mentaliteit. Als er een probleem is, los je het op. Als je dat maar vaak genoeg doet, ben je voor je het weet ceo.”

Toch vraagt Zandbergen, nu directeur van uitzendbureau RGF Staffing, zich af of het de krijgsmacht is die mensen tot goede managers maakt: „Maak je een carrière doordat je veel geleerd hebt bij defensie, of omdat je een bepaald karakter hebt?” Hij was altijd al gedisciplineerd, zegt Zandbergen, dáárom koos hij voor het leger. Hij kent bovendien maar een beperkt aantal oud-militairen in topfuncties. „Dus kennelijk is zo’n overstap toch niet zo makkelijk.”

Lapère zegt van veel militairen die het leger verlaten te horen dat ze het bedrijfsleven als „los zand” ervaren. „Bij defensie komen ze elkaar gedurende hun loopbaan steeds tegen. Ze weten van alles van elkaar, kennen elkaars partners. En ze zorgen goed voor elkaar. In het bedrijfsleven wisselen mensen sneller van baan. Die weten vaak niet wat er vijftien jaar geleden met een collega is gebeurd.”

Zandbergen zelf liep tegen iets heel anders aan toen hij defensie verliet. „Het grootste probleem was: wat trek ik aan? Ik had natuurlijk altijd een uniform aangehad. Nu moest ik ineens investeren in een kostuum.” Het werd er één van Oger. „Uitgezocht met mijn vrouw.”