Opinie

Techneut zkt. alfa om samen te excelleren

Hoger onderwijs Cultuurverschillen en historische weeffouten maken universitaire samenwerking lastig. Maar meer integratie is onvermijdelijk, schrijft
Illustratie
Illustratie Astrid van Rooij

Afgelopen week maakte Erasmus MC, Erasmus Universiteit en TU Delft bekend vergaand te gaan samenwerken, met name op het gebied van gezondheid en technologie, kunstmatige intelligentie en verstedelijking. (Vergaande samenwerking tussen TU Delft en Erasmus, 11/1). In eerste instantie deed die aankondiging denken aan de luidruchtige discussies uit 2011, toen de toenmalige voorzitters van de universiteiten van Delft, Leiden en Rotterdam hadden bedacht dat een fusie zou zorgen voor een forse stijging op de internationale ranglijsten. Althans, veel meer inhoudelijke rechtvaardiging werd toen voor het streven tot samenwerking niet gegeven.

Inmiddels is de samenwerking tussen de drie Zuid-Hollandse universiteiten veel verder en veel inhoudelijker van aard dan de toen scherp tegen de ‘fusie’ protesterende wetenschappers hadden kunnen denken. Toch haast Tim van der Hagen, rector magnificus van de TU Delft zich te zeggen dat er geen sprake is van een fusie. Van wat dan wel?

Sinds de Napoleontische tijd hebben de technische universiteiten zich los van de algemene universiteiten ontwikkeld. In die brede, klassieke universiteiten vonden, naast alfa, bèta en gammawetenschappen, vaak ook medische wetenschappen onderdak.

Pas in 1986 werden de technische hogescholen omgevormd tot universiteiten, al leverde dat op het gebied van samenwerking in eerste instantie niet veel op. In andere landen bleef de natuurlijke samenhang tussen technische -, bèta-, alfa- en gammawetenschappen beter bewaard. Zo kennen de Engelse en Noord-Amerikaanse algemene universiteiten vrijwel allemaal grote faculteiten engineering die samenwerken met de rest. Dit geldt trouwens ook voor het dichterbij gelegen Leuven.

Op achterstand

De huidige, snelle, wetenschappelijke ontwikkelingen tonen niet alleen aan dat disciplines elkaar nodig hebben, ze maken ook pijnlijk duidelijk dat de gescheiden ontwikkeling Nederland op achterstand heeft gezet.

Het is dan ook verheugend om de rector van Delft te horen zeggen dat zij „nu de muren gaan slechten tussen alles wat bèta, gamma, alfa, medisch en techniek is”. Het is overigens wat zuur dat hij dit pas zegt nadat er vorig jaar een fors gevecht tussen de Nederlandse universiteiten plaatsvond, uitmondend in het oordeel van de commissie-Van Rijn dat er geld moest worden overgeheveld van de gamma en alfa naar de technische wetenschappen.

Lees ook het interview over het ambitieuze plan: Erasmus MC, de Erasmus Universiteit en de TU Delft willen ‘samensmelten’

Toen bestonden die muren kennelijk nog wél. Dat werd nog eens bevestigd door minister Van Engelshoven (Onderwijs), die over de overheveling van de financiële middelen sprak als een ‘spoedreparatie’ om de financiering van de technische universiteiten te herstellen. „Boom op het spoor, gat in de weg: in die categorie moet u echt denken”.

Het integrale beeld dat de rector van de TU Delft nu schetst, was toen even zoek.

Kruisbestuivingen

De ophef over de verdeling van gelden toont aan dat kortetermijnbelangen prevaleren. Want er is wel degelijk veel te zeggen vóór groeiende samenwerking in Zuid-Holland. Net zoals er veel te zeggen is voor de al sinds 2011 bestaande – en minder luidruchtig aangekondigde – samenwerking tussen de universiteiten van Eindhoven en Utrecht en het UMC Utrecht, later uitgebreid met de Universiteit Wageningen. In de komende tien jaar immers, zullen kruisbestuivingen tussen disciplines steeds vaker voorkomen. Techniek alleen zal dan snel krachteloos zijn, en kan alleen grote stappen voorwaarts blijven maken in samenhang met bèta, alfa en gamma. Andersom geldt dat trouwens ook.

Lees ook: Kijk eens naar de geesteswetenschappen zoals de Duitsers

In deze ontwikkelingen zijn robotisering, digitalisering en artifical intelligence (AI) leidend, precies zoals veel technische ontwikkelingen worden gedreven door grote vragen uit de medische en sociale wetenschappen. Dit leidt onvermijdelijk tot samenwerking. Dat besef dringt nu ook in Nederland door, al kun je je afvragen of dit niet eerder gezien had moeten worden, gezien de tijd en energie die samenwerking vergt.

Er is namelijk een enorm verschil tussen het betrekkelijk luchthartig aankondigen „alle muren te zullen slechten” en de praktijk. Voorbeelden te over. Onlangs nog mislukte een simpele fusie tussen alfa- en gammawetenschappen, nota bene binnen de Erasmus Universiteit. Iets langer geleden toonde de even dramatisch mislukte fusie van de twee Amsterdamse bètafaculteiten al de grote verschillen in cultuur. Toenmalige VU-decaan Harmen Verbruggen vond dat de Universiteit van Amsterdam „kapsones” had, terwijl de VU in zijn ogen vooral „degelijk” was.

‘Moeten we nog lessen Grieks geven?’

De gevleugelde woorden van minister Wiebes van Economische Zaken („Moeten we nog altijd lessen Frans en Grieks geven? Gaan we daar binnen twintig jaar nog Chinezen mee verslaan?”) geven precies het technocratisch perspectief aan waarmee veel technische en medische disciplines de alfa- en gammawetenschappen bejegenen. De taal die gesproken wordt en de manier van werken tussen disciplines en instellingen is zó verschillend dat het jaren kost om die afstand te overbruggen. De Universiteit Utrecht begon al in 2013 met grote, universiteitsbrede interdisciplinaire programma’s, maar pas na lange tijd begon het enthousiasme en het onderlinge begrip tussen wetenschappers te groeien.

Het idee om grote instellingen als universiteiten en medische centra echt goed samen te laten werken, is dus moeilijk te realiseren. Natuurlijk, wetenschappelijke urgentie stimuleert, maar dat is niet genoeg. Geld helpt zeker. Met geld kun je zogenoemde kruisbestuivingen bevorderen – op de korte termijn is dat nuttig om samenwerking te starten. Maar de urgentie om tot duurzame en succesvolle samenwerking te komen zoals bedoeld in Zuid-Holland, zal groter moeten zijn dan geld en woorden alleen. Het loont daarom om het beleid van de overheid beter te bekijken. In haar recente strategische agenda noemt minister Van Engelshoven nut en noodzaak om tot samenwerking te komen. Dat is een begin. Het is nodig, schrijft ze, om overlap in onderzoek tussen instellingen te voorkomen en omdat door geringe samenwerking te weinig meerwaarde zou worden behaald.

Door regionaal beter samen te werken, kan er zeker winst worden geboekt. In de regio immers speelt afstand, de meest effectieve moordenaar van samenwerking, geen grote rol. Het is relatief gemakkelijk om gezamenlijke onderzoeksprogramma’s te maken met specialisten die elkaar bij vaak tegen kunnen komen. Instellingen kunnen mensen en faciliteiten delen, en gezamenlijk uitgroeien tot grote knooppunten in het kennisnetwerk. Zo wordt geprofiteerd van schaalvoordelen en elkaars expertise.

Vergrijzende bevolking

Er speelt nog iets anders. Door de vergrijzende bevolking zullen studentenaantallen over niet al te lange tijd dalen, en dat zal leiden tot een overcapaciteit aan universiteiten en hogescholen. Verschuiving van zwaartepunten in de gezondheidszorg naar eerstelijnszorg en regionale ziekenhuizen zal leiden tot overcapaciteit van universitaire medische centra.

Ook dat zou voor de minister een motief moeten zijn om een beloning te zetten op regionale samenwerking, om zo te komen tot vermindering van die capaciteit én verbetering van de kwaliteit. Voeg daar de mogelijkheden bij om de weeffout uit het verleden, de afzonderlijke ontwikkeling van technische en algemene universiteiten, recht te trekken door deze intensief te laten samenwerken, en er ontstaat een brede visie voor de herinrichting van het hoger onderwijs en onderzoek.

Lees ook: De tweederangs universiteit komt eraan

Om dat te bewerkstelligen hebben technische universiteiten andere disciplines broodnodig. Het omgekeerde is ook waar. Sterker, in het mondiale geweld kan geen enkele Nederlandse universiteit eigenstandig overleven – en zeker niet haar huidige excellentie behouden. Regionale ‘kennisecosystemen’ waarin universiteiten en hogescholen samenwerken met het bedrijfsleven kunnen een oplossing bieden voor de dreigende problemen.

Naast de clusters in Zuid-Holland en in het midden van het land (Utrecht, Eindhoven, Wageningen) ) is er gezien de beschikbare middelen ruimte voor nog maximaal drie van zulke clusters: in het zuidoosten en (noord)oosten van het land en in Amsterdam.

Dit vergt allemaal veel tijd. Een koersvast en gericht stimulerend beleid van de overheid is daarbij onontbeerlijk. Maar bovenal hebben we bestuurders nodig, die voorbij de eigenbelangen van hun instellingen kunnen kijken. Het initiatief van Erasmus MC, Erasmus Universiteit en TU Delft mag dan laat komen en klein zijn, het is in ieder geval hoopgevend.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.