Opinie

Rutte, draag niet de slippen van het bedrijfsleven

Lage rente De lage rente is niet te wijten aan Zuid-Europa. Onze belastingen en premies op arbeid moeten omlaag, betoogt .
Man controleert zeewier in Chinese provincie Fujian.
Man controleert zeewier in Chinese provincie Fujian. Foto HECTOR RETAMAL/AFP

ABN Amro kondigde deze week als eerste van de drie grote banken aan de spaarrente te zullen verlagen naar 0 procent. Wie een spaarsaldo heeft van meer dan 2,5 miljoen euro bij de bank, zal daarover rente moeten betalen in plaats van ontvangen. De maatregel is nodig omdat de Europese Centrale Bank vorig jaar het belangrijkste rentetarief heeft verlaagd tot minus 0,5 procent en banken een boete moeten betalen over de overtollige liquiditeiten die ze bij de ECB stallen. Dat kost ABN Amro 150 miljoen euro op jaarbasis.

De ECB heeft vorig jaar ook het aankoopprogramma voor obligaties hervat. De president van de Nederlandsche Bank (DNB), Klaas Knot, was over dat laatste zo verbolgen dat hij er publiekelijk afstand van nam. Knot wees erop dat de negatieve rente en de grootschalige aankopen van obligaties kunnen leiden tot speculatieve zeepbellen, met name op de huizenmarkt. Bovendien tast de lage rente de dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen aan, waardoor de pensioenen hier al jaren niet meer met de inflatie mee stijgen en het gevaar van kortingen op de pensioenen op de loer ligt.

De beschuldigende vinger gaat vaak uit naar de zuidelijke lidstaten en de ECB. Die laatste zou de rente wel kunstmatig laag moeten houden om de schuldenlast van Griekenland en Italië betaalbaar te houden. Maar die redenering ziet over het hoofd dat de rente voor de val van investeringsbank Lehman Brothers en de crisis in de eurozone al opmerkelijk laag was.

De toenmalige voorzitter van het Amerikaanse stelsel van centrale banken (FED), Alan Greenspan, wees er vijftien jaar geleden al op dat de rente op langlopende staatsobligaties opmerkelijk laag was. Hij sprak zelfs van een „renteraadsel”. Ben Bernanke, die nog geen FED-voorzitter was, zei dat een „spaaroverschot” de oorzaak was van de lage reële langetermijnrentes en wees de Aziatische economieën, waaronder China, aan als de bron van het wereldwijde spaaroverschot. Die landen belegden de overschotten op hun betalingsbalans in Amerikaanse staatsobligaties. Maar volgens Alan Greenspan was er meer aan de hand.

Onbeperkt arbeidsaanbod

Greenspan had gelijk. De rente is wereldwijd laag omdat China en India, die samen 2,4 miljard inwoners tellen, tot de wereldeconomie zijn toegetreden waardoor er een toevloed van goedkope arbeid is gekomen. In economieën met een onbeperkt aanbod van arbeid, zoals China en India, hoeven werkgevers slechts een loon net iets boven het bestaansminimum te betalen en stijgen de lonen niet als de vraag naar arbeid toeneemt, zoals de economische modellen voorspellen. Extra vraag naar arbeid leidt in die situatie niet tot hogere lonen, omdat telkens nieuwe arbeiders van het platteland kunnen worden gehaald. Tegenwoordig werkt nog altijd bijna dertig procent van de Chinezen op het platteland en in de visserij. Dat is vergelijkbaar met de situatie in de VS in 1935. In India is dat ruim de helft van de totale bevolking.

Lees ook: Vergeet de spaarrente, lenen is het schandaal

Onder deze omstandigheden vertalen stijgingen van de arbeidsproductiviteit zich niet in hogere lonen, zoals de neoklassieke en Keynesiaanse economische modellen veronderstellen, maar in hogere winsten, zogenoemde overwinsten. Overwinst is het verschil tussen de marginale productiviteit van arbeid en het loon. In economieën met een onbeperkt aanbod van arbeid leiden kapitaalvorming (de aanschaf van meer machines) en technologische vooruitgang niet tot stijgende lonen, maar tot een stijging van het winstaandeel in het bruto binnenlands product (bbp) en een daling van het aandeel van het arbeidsinkomen. Zolang er een onbeperkt aanbod van arbeid is tegen een constant reëel loon, zal de winstquote stijgen ten koste van de arbeidsinkomensquote.

In een geglobaliseerde economie zijn de gevolgen van een onbeperkt aanbod van arbeid ook voelbaar in geavanceerde economieën. Bedrijven realiseren overwinsten door immigratie aan te moedigen en de productie te ‘outsourcen’ of ‘offshoren’ naar landen als China en India waar de fabriekslonen maar iets boven het lokale bestaansminimum uitkomen. Hierdoor stagneren de lonen en daalt de arbeidsinkomensquote in geavanceerde economieën.

Arbeidsinkomensquotes dalen wereldwijd

Dat is precies wat onder invloed van de globalisering en de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 is gebeurd. Niet alleen in China maar ook in de geavanceerde economieën is het aandeel van de winst in het bbp gestegen ten koste van de arbeidsinkomensquote. Hoewel de trend al sinds het begin van de jaren tachtig zichtbaar is, is deze sinds het begin van de eeuw veel uitgesprokener geworden. In een geglobaliseerde wereld zijn de gevolgen van een onbeperkt arbeidsaanbod direct voelbaar in alle geavanceerde economieën.

Tussen 1970 en 2010 daalde in de Verenigde Staten de arbeidsinkomensquote van 71 tot 63 procent, terwijl de winstquote navenant steeg (ILO). Dit fenomeen deed zich voor in vrijwel elke geavanceerde economie. In Nederland daalde de arbeidsinkomensquote van 75 procent van het bbp in 1975 naar 66 procent in 2010. In Duitsland daalde arbeidsinkomensquote van 73 procent in de vroege jaren zeventig tot 63 procent van het bbp in 2010.

Op bedrijfsniveau vertalen de overwinsten zich in grote spaaroverschotten. Techgigant Apple is berucht. Het bedrijf zag de besparingen de afgelopen twee decennia stijgen van 20 tot 30 procent van de bruto toegevoegde waarde tot bijna 60 procent. Het bedrijf heeft momenteel ruim 210 miljard dollar in kas – dat is een kwart van de Nederlandse economie. Multinationals hebben hogere brutowinstmarges dan binnenlandse bedrijven, hetgeen erop duidt erop dat multinationals beter in staat zijn te profiteren van goedkope arbeid in lagelonenlanden.

In een invloedrijke paper stelden de economen Loukas Karabarbounis en Brent Neiman in 2014 dat offshoring noch outsourcing primair verantwoordelijk is voor de wereldwijde daling van de arbeidsinkomensquote. Omdat de arbeidsinkomensquote ook daalde in landen met een arbeidsoverschot, zoals China, India en Mexico, is de wereldwijde daling van de arbeidsinkomensquote volgens Karabarbounis en Neiman vooral te wijten aan de sterk dalende kosten van kapitaalgoederen, vooral informatica en informatietechnologie.

Die redenering is natuurlijk onjuist. De arbeidsinkomensquote daalt ook in opkomende economieën als meer mensen van het platteland in de industrie aan de slag gaan tegen een loon net boven het bestaansminimum.

Lage groei, lage rente

In China wordt 80 tot 90 procent van het kapitalistische surplus aangewend om meer kapitaal te creëren. Opvallend zijn de grote investeringen in infrastructuur zoals luchthavens, havens, spoorwegen en snelwegen, de nieuwe stedelijke woningbouw en duurzame energie. Ondanks die snelle groei is de hoeveelheid kapitaal in China nog altijd laag, afgezet tegen de omvang van de economie, omdat China zijn opmars met erg weinig kapitaal begon. Westerse economen betogen steevast dat de investeringen in China te hoog zijn. Maar zolang de levensstandaard kan worden verbeterd door mensen van het platteland in een meer productieve sector aan het werk te zetten, is er in beginsel geen sprake van overinvestering.

In geavanceerde economieën worden de overwinsten niet gebruikt voor kapitaalvorming.

Lees ook: Zeven winnaars en verliezers van de historisch lage rente

Terwijl het aandeel van de winst in het bbp flink steeg, bleef het aandeel van investeringen in het bbp relatief stabiel. Met bruto besparingen van 30 procent van het bbp en netto besparingen van ruim 10 procent van het bbp is Nederland de grootste spaarder onder geavanceerde economieën. Volgens onderzoek van Bas Butler, econoom bij DNB, zijn bedrijven verantwoordelijk voor het overgrote deel van de besparingen. De economische groei in Nederland van 2002 tot 2016 bleef echter achter bij het Europese gemiddelde. Volgens Peter Keus en Johan Verbruggen van DNB komt dat doordat de arbeidsinkomensquote juist in Nederland sterk is gedaald en de lastendruk van huishoudens hier verreweg het sterkst is gestegen, waardoor de particuliere consumptie tussen 2002 tot 2016 daalde in plaats van steeg.

In de schulden

Tot de financiële crisis in 2008 bleef de particuliere consumptie in geavanceerde economieën op peil doordat huishoudens, aangemoedigd door de lage rente en stijgende huizenprijzen, zich tot over hun oren in de schulden staken. De tekortschietende consumptieve vraag sinds de financiële crisis lijkt de belangrijkste oorzaak van de achterblijvende bedrijfsinvesteringen. In 2015 zei meer dan 40 procent van de Europese bedrijven en 10 procent van de Amerikaanse bedrijven dat de lage consumentenvraag de oorzaak was van de achterblijvende investeringen. In 2009 was dat respectievelijk 80 en 35 procent (IMF). Zoals oud Unilever topman Paul Polman verzuchtte: „Unilever investeert niet omdat de consumenten geen geld uitgeven.”

Om de economie te stimuleren moeten overheden de belastingen op winst en vermogen verhogen en die op arbeid verlagen. Maar het omgekeerde is de afgelopen twintig jaar gebeurd. Terwijl de bedrijfswinsten wereldwijd tot recordhoogten stegen en de lonen en inkomens stagneerden, daalden de belastinginkomsten op winst en vermogen en stegen die op arbeid. In Nederland bracht de vennootschapsbelasting (Vpb) in 2000 nog 4 procent van het bbp op. In 2018 was dat nog slechts 3 procent. Bij de loon- en inkomstenbelasting is de trend precies omgekeerd. In 2000 bracht de loon- en inkomstenbelasting 5 procent van het bbp op. In 2018 was dat percentage gestegen tot maar liefst 8 procent.

Toen dit kabinet de dividendbelasting wilde afschaffen, leidde dat tot breed verzet. Het kabinet zag er uiteindelijk van af omdat Unilever zijn hoofdkantoor toch niet naar Rotterdam zou verplaatsen. Het bleek een pyrrusoverwinning. Zestien topmannen uit het bedrijfsleven togen in geblindeerde busjes naar het Catshuis om premier Rutte te vertellen hoe de buit van twee miljard euro verdeeld moest worden. Een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting is niet aan de orde geweest.

Premier Rutte heeft vorige maand bij de nieuwe president van de ECB, Christine Lagarde, aandacht gevraagd voor de gevolgen van de negatieve rente voor de Nederlandse pensioenfondsen. Maar als Rutte het belangrijk vindt dat die rente omhoog gaat, moet hij ophouden de slippendrager van het bedrijfsleven te zijn en zorgen dat de belastingen en premies op arbeid omlaag gaan, zodat mensen meer inkomen hebben om te besteden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.