Recensie

Recensie

Arme Duitsers trokken naar het welvarende Nederland om bekende warenhuizen te beginnen

Familiegeschiedenis Eind 19de eeuw begonnen jongemannen uit Westfalen een nieuw soort winkels in Nederland. Met veel succes, zoals een familiegeschiedenis laat zien.

Bernard Bokern en zijn gezin in 1926.
Bernard Bokern en zijn gezin in 1926. Foto uit besproken boek, bewerking NRC

Frank Bokern besloot de geschiedenis van zijn familie uit te zoeken. Hij is niet de enige van zijn generatie. Die heeft niet alleen meer tijd dan vroeger, ook zijn de bronnen voor historisch onderzoek, vooral dank zij de digitalisering, veel toegankelijker. Zijn boek draagt bij aan een groeiend arsenaal van verhalen over gewone mensen in het verleden: hoe zij het geluk verderop zochten, zich aanpasten, zich door armoede heen sloegen, soms succes hadden, en hoe hun kinderen het meestal beter kregen dan zijzelf.

Het is goed dat die verhalen worden verteld, want het verruimt onze blik op de geschiedenis. Bokern (1957) deed grondig onderzoek, en met zijn achtergrond heeft hij een belangrijk pré: hij kan schrijven. Maar dat zijn familieverhaal erg spannend is kun je ook weer niet zeggen. Het is wat het is, en het is snel verteld: de broers Bernard en Heinrich Bokern waren jongens uit Westfalen, een dunbevolkt agrarisch gebied in westelijk Duitsland, waar in de 19de eeuw geen cent te verdienen was. Net als veel van hun streekgenoten – de beroemdste namen zijn Dreesmann, Peek, Cloppenburg, Kreijmborg – trokken ze rond 1870 naar het nabije, welvarende Nederland om in confectie en manufacturen te gaan; de Bokerns met weinig succes. Hun nageslacht ploeterde verder, de eerste helft van de 20ste eeuw door, met daarin de narigheid van twee wereldoorlogen. De meeste pagina’s zijn gewijd aan Bernard, die in 1927 een drogisterij begon in Naaldwijk, en zijn gezin (waarin de vader van de auteur is geboren).

In de eerste helft van het boek is de historische context het belangrijkste. De opkomst van kledingwinkels en warenhuizen tussen pakweg 1870 en 1920 was een culturele revolutie. Bokern vertelt er levendig over en belicht soms interessante bijkomstigheden, zoals de belangrijke rol die hoeden, vooral dameshoeden, daarbij speelden. Voor de achtergrond steunt hij sterk op het boek De nieuwe mens van Auke van der Woud. Daardoor krijgt de lezer veel aangeboden wat hij ook elders had kunnen vinden.

Peek & Cloppenburg

In de Eerste Wereldoorlog is Bernard gemobiliseerd als sergeant bij de Landweer. Die moet bij een onverhoopte aanval op het neutrale vaderland de Stelling van Amsterdam verdedigen. De auteur heeft geluk: Theo Thijssen, later een bekend schrijver, zit bij hetzelfde legeronderdeel, zelfs in hetzelfde fort, en die heeft erover geschreven in ‘Mobilisatieschetsen’ in het blad De Notenkraker. Het lijkt erop dat Bernard zelfs even voorkomt in Thijssens relaas, naamloos, als hij ‘in burgerkleren een slippertje maakt naar Visé’. Het kan hem zijn, want Bernard heeft in Visé in een internaat gezeten. Ook is er een foto waarop, wellicht, ook Thijssen staat… Zo’n vondst maakt de historicus blij. Bokern meet hem dan ook breed uit. Dat doet hij ook met verhalen die weinig met de familiegeschiedenis uitstaande hebben, alsof het boek nog wat moest worden aangekleed.

Na een periode als magazijnmedewerker bij Peek & Cloppenburg in Amsterdam begint Bernard een drogisterij. Het blijkt dat de opkomst van dergelijke winkels óók een omwenteling is geweest: producten als aspirine en scheerzeep zijn vroege merkartikelen, voorboden van de consumptiemaatschappij. Intussen woedt tussen drogisten en apothekers een strijd; Bernard zit goed, want zijn vrouw Anna is gediplomeerd apothekersassistente. Het boek is dan pas halverwege.

Curacao

Dan wordt het crisis, in 1939 sterft Anna, en het gezin blijft overeind dankzij de steun van een andere Exler, heeroom Herman, een witte pater die vanuit Curaçao in staat is om jarenlang regelmatig geld te sturen. In de oorlog komt Bernards zoon Harry in een vliegtuigfabriek in Duitsland te werken, zijn broer Ben moet naar kamp Vledder voor de Nederlandse Arbeidsdienst. Hun zusje Riet gaat bij het verzet, en ontsnapt ternauwernood aan executie. Hun vader overleeft de oorlog nét niet.

Bokern heeft het allemaal uitgezocht, met soms vindingrijk gepuzzel, herinneringen van derden, als een ontdekkingstocht in de levens van zijn familieleden. Veel van wat in de familie wordt verteld klopt niet, ontdekt hij (zo hadden de Bokerns geen last van hun ooit-Duitse afkomst, ze waren gewoon Nederlanders). De lezer boeit dat minder; die veert op als weer eens blijkt, heel terloops, dat de dingen in de oorlog anders gingen dan hij dacht.

Zo eindigt wat begon als het verhaal van geïmmigreerde manufacturenwinkeliers, als een petite histoire van de Tweede Wereldoorlog. Er zit geen lijn in, het heeft geen diepere betekenis, maar het tekende de levens van wie het overkwam; net als de hele geschiedenis eigenlijk.