Recensie

Recensie Boeken

Een verschrikkelijk etentje met alcoholistisch, opportunistisch kunstgespuis

Thomas Bernhard In een mateloze tirade geselt Bernhard de Weense bourgeoisie, die in het besef van haar eigen middelmatigheid voor het goede leven heeft gekozen.

Foto David Galjaard

Hoewel elke zichzelf respecterende kunstenaar zich afzet tegen de middenklasse, doet hij in rancune en verlangen naar erkenning niet voor de burgerman onder. Uitzonderingen daargelaten wil ook de kunstenaar vooruitkomen in het leven, hij wil hogerop, hij wil zijn kapitaal vergroten, zijn concurrenten ontstijgen. Edoardo Albinati, zelf een telg uit de bourgeoisie, schreef in De katholieke school (2019): ‘Een ware aristocraat zou zich nooit kapotwerken om een roman te voltooien.’ Schrijvers zijn nog een tikje erger dan de rest, zij deinzen er niet voor terug hun intieme leven, en dat van hun familie erbij, te verkopen om de bestsellerlijst te halen.

Een geschikt decor om kunstenaars in al hun burgerlijkheid te ontmaskeren is Wenen, waar bourgeoisie en cultuur nauw verstrengeld in een haat-liefdeverhouding een wederzijds hoogtepunt hebben gevonden. Het nu vertaalde Houthakken. Een afrekening (1984) van de Oostenrijkse (toneel)schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) speelt zich af tijdens een avondmaaltijd in de Weense Gentzgasse. De ik-verteller (die veel op de auteur lijkt) is daar te gast bij het echtpaar Auersberger. Dertig jaar geleden was hij in de ban van dit koppel – hij een getalenteerd componist, zij een zangeres uit een rijke familie – en de kring van jonge kunstenaars die ze aantrokken.

Na een aantal jaren nauwe omgang heeft hij echter het contact met het echtpaar verbroken, dat vonden ze niet leuk, achter zijn rug zeiden ze onaardige dingen over hem, en sindsdien heeft hij hun zorgvuldig ontlopen, wat des te makkelijker was omdat hij toen veel tijd in Londen doorbracht.

Terug in Wenen hoort hij dat Joana, een van de aardigste mensen uit de kring van weleer, net zelfmoord heeft gepleegd, en meteen daarna loopt hij het echtpaar Auersberger tegen het lijf, dat hem uitnodigt na de begrafenis een ‘kunstzinnig avondmaal’ bij hen te komen gebruiken; in een moment van zwakte neemt hij de uitnodiging aan.

Minachting

Op de bewuste avond zit hij, onwillig aan de gesprekken deel te nemen, wat achteraf en luistert, beschut door het halfdonker en door de hoge leuning van een oorfauteuil, met minachting naar de vrienden van vroeger, inmiddels vijftigers. ‘Al deze mensen waren [...] ooit werkelijk kunstenaar of op zijn minst getalenteerd, dacht ik nu in de oorfauteuil, nu vormen ze allemaal alleen nog maar één groot kunstgespuis [...]’ Auersberger is een drankzuchtige Webern-epigoon geworden en Jeannie Billroth, ‘de Weense Virgina Woolf’, heeft nooit iets anders dan sentimentele rommel geschreven. De hoofdgast van de avond, een acteur van het Burgtheater, raakt niet uitgepraat over zijn rol in De wilde eend van Ibsen. De kunstenaars van toen zijn ‘uiteindelijk geheel en al in de bekende beerput van de kleinburgerlijkheid gevallen, dacht ik’.

De haat waarmee de ik-persoon zijn voormalige vrienden bejegent, verbaast de lezer. Wat hebben ze hem misdaan? Hij voelt zich ‘misleid en bedrogen’ omdat ze vroeger de allerhoogste eisen aan kunst stelden en ten slotte tot ‘dilettantisme’ vervallen zijn. En hij neemt hun vooral hun opportunisme kwalijk, het ‘geheul met het overheidsapparaat’, het feit dat ze zich aan de Weense (door Thomas Bernhard altijd hartstochtelijk verfoeide) staat hebben verkocht om subsidies, stipendia, baantjes en ‘een paar belachelijke prijzen’ in de wacht te slepen.

Figuren die in het besef van hun eigen middelmatigheid voor het goede leven hebben gekozen, en zich ondertussen als pretentieuze kunstenaars blijven aanstellen, verdienen wellicht enige hoon. Daar komt bij dat de ik-persoon zichzelf ook niet ontziet (al beslaat zijn zelfkritiek aanzienlijk minder ruimte dan het ‘fileren’ van de anderen). Toch is het opmerkelijk, de intensiteit van deze aanklacht, die ondanks of dankzij het obsessief toegepaste stijlmiddel van de woordelijke herhaling probleemloos als monoloog op het toneel gebracht zou kunnen worden. Wie onophoudelijk de bekrompenheid van de anderen veroordeelt, wint zelf ook niet de eerste prijs voor ruimdenkendheid. Sommige kunstenaars hebben wrok, in beginsel iets kinderachtigs, nodig als brandstof voor hun kunst. Een sympathieke tekst is Houthakken niet. Gelukkig niet. Het is een authentieke, teugelloze tirade van een fascinerend, gekrenkt ego.