Recensie

Recensie Boeken

Hét boek voor de komende Voorleesdagen – en alle dagen daarna

Kinderboek Je zou het een meta-voorleesboek kunnen noemen, dit topwerk van schrijver Tjibbe Veldkamp en tekenaar Kees de Boer. Als het even tegenzit lees je dit prentenboek tot in de eeuwigheid door.

‘Dit is een kort verhaal’, zegt een van de twee stemmen die we horen in Maar eerst ving ik een monster, op de eerste bladzijde. ‘Waarom is het kort?’ vraagt de ander. ‘Omdat het bedtijd is. Het verhaal gaat over jou. Jij ging slapen. En toen was het verhaaltje alweer uit’, zegt de eerste spreker, van wie we nu dus weten dat het een voorlezer is. ‘Ja, maar eerst ving ik een monster’, zegt spreker twee, het voorgelezen kind.

Een kind die zijn voorlezer ondermijnt – dat is het verhaal van Maar eerst ving ik een monster, het nieuwe prentenboek van het geweldige duo Tjibbe Veldkamp en Kees de Boer. Zo gaat het verder: telkens als de nurkse voorlezer zijn verhaal denkt te kunnen beëindigen, traineert het kind de boel. Met nog meer gevangen monsters. Het leger komt eraan te pas. Maar de soldaten blijken vermomde monsters. Die ook gevangen worden, en weer ontsnappen. Et cetera – het wordt helemaal geen kort verhaal, het loopt volkomen uit de hand. Niet dat het ongeloofwaardig wordt, dankzij een slimme troef: we zíén het gebeuren, Kees de Boer tekende alles, dus is het waar. Kijk maar. De voorlezer heeft zich er maar bij neer te leggen.

Postmodern prentenboek

Dit prentenboek werkt geweldig, zozeer dat je bijna zou vergeten wat een gewaagd experiment Veldkamp en De Boer hier eigenlijk uithalen – een spel met de lezer, een spel met de vorm van het boek. Je zou het een postmodern prentenboek kunnen noemen, een meta-voorleesboek, dat immers zelf gáát over de manier waarop het verhaal ‘in werking wordt gesteld’: door het voor te lezen.

Het boek is al uitstekend door dat slimme, grappige en verrassende concept, maar het stáát dankzij de uitwerking: de soepele, vrij minimale, maar volledig doeltreffende tekst van Tjibbe Veldkamp en de gloedvolle illustraties van Kees de Boer. Beiden zijn op hun best in dit prentenboek. De Boer – die ditmaal in zijn composities en kleurgebruik doet denken aan de grote komische tekenmeester Thé Tjong-Khing – creëerde monsters met vele klauwen, talloze ogen en de idiootste slagtanden. Ze zijn even wanstaltig als komisch: wel vervaarlijk maar niet eng, en komisch maar toch overtuigend (voor zover je dat van monsters zou kunnen zeggen, natuurlijk).

Beduusde monsters

De grootste troeven van dit boek zitten aan het einde – en die zijn evenzeer een verdienste van de tekenaar als de schrijver: op een gegeven moment besluit de chagrijnige verteller dat het echt klaar is met het verhaal, waarna op de volgende bladzijde groot ‘Einde’ staat, naast een groep tamelijk beduusde monsters. De volgende bladzijde, in de stijl van het schutblad, steekt daar een stokje voor – dan zegt het voorlezende kind: ‘Maar dat is geen léúk einde’, waarna het verhaal tóch weer doorgaat. De laatste troef zijn de slotzinnen: ‘En was het verhaal toen eindelijk uit?’ Antwoord: ‘Ja, maar je las het nog een keer voor.’ Waarmee Maar eerst ving ik een monster in potentie een escheriaans voorlees-perpetuum mobile wordt. Hét boek voor de komende Voorleesdagen dus, en, als het even tegenzit, alle dagen, maanden en jaren daarna.