Het geschilderde groenteschap van Martin Jarrie

Portretten Martin Jarrie maakt portretten van vooral groenten en fruit. Op een tentoonstelling in Museum Belvédère in Heerenveen is de dwarsdoorsnede van een rode kool een hoogtepunt.

Rode kool gesneden (2018)
Rode kool gesneden (2018) Beeld Martin Jarrie/Museum Belvédère

De Britse schrijver Julian Barnes noemde eind vorig jaar in zijn aan kunst en literatuur gewijde Joost Zwagerman Lezing de Franse schrijver Marcel Proust: „Tijdens de belle époque kon je in de Parijse musea een kleine, goedgeklede man tegenkomen die in elk portret waarvoor hij bleef staan de gelijkenis zocht met iemand die hij kende of in de beau monde had gadegeslagen.” De anekdote vermeldt niet of Proust naar toen hedendaagse schilderijen keek, maar omdat Barnes musea vermeldt, is het vermoeden gerechtvaardigd dat de schrijver naar mensen van eeuwen geleden keek.

Lijken mensen van vroeger op mensen van nu? Je komt wel eens iemand tegen met, bijvoorbeeld, een middeleeuws voorhoofd of een antiek profiel, maar dat kan ook liggen aan kapsel en kleding. Soms zie je iemand uit een oud schilderij tegenover wie je in de tram zou kunnen zitten, zoals de Man met een rode tulband, in 1433 door Jan van Eyck geschilderd. Proust had in Londen zijn spel met dit portret kunnen spelen, het hangt al sinds 1851 in de National Gallery.

Van portretten is vooral in het begin van belang of ze lijken. Dat belang neemt af naarmate het langer geleden geschilderd is; wie vraagt zich nog af of Marten en Oopjen leken op de Marten en Oopjen die Rembrandt schilderde? Er is meestal nauwelijks of geen vergelijkingsmateriaal; geen andere schilderijen, laat staan foto’s. De geportretteerden vallen daardoor geheel samen met hun portret.

Toch wordt ook vaak van zulke portretten gezegd dat de schilder de geportretteerde zo goed getroffen heeft. Lelijkheid staat dan soms voor extra authenticiteit: Oopjen is in ieder geval naar huidige maatstaven zo lelijk dat haar portret wel realistisch moet zijn. Misschien was het in werkelijkheid nog erger.

Proust probeerde af te rekenen met het idee dat een portret maar voor een iemand kan gelden. Je kunt zijn spel nu heel makkelijk zelf spelen, er is, zoals voor alles, een app voor. Sinds 2018 kun je in de Google Arts & Culture App een selfie maken die meteen wordt vergeleken met portretten uit honderden musea. Bij de eerste poging leek ik zowel op Johanna van Berckel, eind zeventiende eeuw geschilderd door Cornelis Dusart, als op Cornelis Tromp, in de achttiende eeuw vastgelegd door Jacob Houbraken, beide uit de collectie van het Rijksmuseum. Een tweede poging kwam uit op koningin Wilhelmina en de Amerikaanse president George Washington. Proust leverde vast accuratere vergelijkingen op dan Googles algoritme. Hij zocht bovendien niet naar zichzelf maar naar anderen, voor wie een gelijkenis sneller treffend is dan voor jezelf. Karikaturen verbazen vooral de geportretteerde.

De Franse kunstenaar Martin Jarrie (66) maakt ook portretten. Ze zijn nu te zien in museum Belvédère in Heerenveen. Jarrie stelt daar vooral originelen van illustraties tentoon: verrukkelijke bedenksels voor kinderboeken of volwassen tijdschriften, vaak met een surrealistische toon die het onderscheid tussen die twee overbodig maakt. Wie geniet er niet van een stadsplattegrond gebaseerd op de letter O, een olifantvormige tafel, een huis met een wolk op het dak? Zijn regenvrouw heeft een gieter als hoofd, zijn doelman een dartboard.

Verkoopgids als inspiratiebron

Jarrie moet in de verte familie zijn van Topor en van Tati, en nog iets verder weg van Magritte, van De Chirico en van Giotto, allemaal kunstenaars die wat vorm en/of inhoud betreft met Jarrie mee naar Friesland zijn gekomen. Een van zijn grootste inspiratiebronnen noemt Jarrie zelf de catalogus van postorderbedrijf Manufrance, een verkoopgids voor allerlei gereedschap voor de boer, een van de weinige boeken die hij als kind thuis op het Franse platteland te zien kreeg.

Maar naast alle aantrekkelijke onmogelijkheden hangen er dus ook portretten, behoorlijk realistische portretten. Geen surrealisme aan, hoe zoet ook. Een aantal zijn er van mensen, onder wie weer een aantal van beroemdheden (Karl Marx, James Ellroy), die herkenbaar zijn en daardoor bewijzen dat ook de onbekenden vermoedelijk geen tronies zijn, maar bestaande personen. Maar de meeste portretten schilderde Jarrie van groente en fruit. Daar hangen ze, een citroen, een ui, een aubergine en een vijg, een bosje asperges en een koolraap.

Nest (2019) Beeld Martin Jarrie/Museum Belvédère

Waar Adriaan Coorte en andere schilders van stillevens altijd nog een schaaltje of een tafelrand meeschilderden, evenals het licht dat op de nederige onderwerpen viel, geeft Jarrie het fruit, het fruit en alleen het fruit weer, pontificaal, recht voor zijn raap, full frontal. Op een gekleurde achtergrond is daar glanzend en alleen een aubergine zoals die in talloze keukens te vinden is. Een citroen promoveert van figurant tot hoofdrolspeler, een vijg ontsnapt uit het corps de ballet, een koolraap wordt prima donna. En wat hier hangt is nog niet eens zijn hele productie, in het boekje 100 gouaches staan ook nog een paprika en een peer, een meloen, een granaatappel en een courgette, een watermeloen, een venkelknol, pompoenen. Sommige vruchten toont Jarrie tweemaal, heel en opengesneden, de meeste slechts een keer.

Groenten en fruit, een portret?

Hoogtepunt van de groente- en fruitportretten is een opengesneden rode kool. Waarom? Ja, waarom bekoort deze dwarsdoorsnede zo? Omdat het de eerste keer is dat hij in de schijnwerpers staat? Om hoe hij geschilderd is?

Volgens sommige schilders zal dat nooit uit te leggen zijn en is het zelfs beter dat niet te doen. Julian Barnes citeert in zijn Zwagermanlezing de Franse schilder Georges Braque, die gezegd zou hebben: „Het enige dat er in de kunst toe doet, is wat niet kan worden uitgelegd.” Zijn collega Edgar Degas was nog stelliger: „Woorden zijn overbodig: je zegt ‘hm, hé, ha’ en daarmee is alles gezegd.”

Stilleven (2019) Beeld Martin Jarrie/Museum Belvédère

Laat ik toch nog even zeggen dat het origineel van de rode kool (waarom heet hij eigenlijk geen paarse kool?) vast veel mooier is dan de reproductie op deze pagina, een ander vast vertrouwen van veel kunstenaars. Maar de schilderijen van Magritte vond ik bijvoorbeeld in werkelijkheid altijd een teleurstelling. In reproductie zijn ze veel surrealistischer, want gladder en daardoor aannemelijker, dan in het echt.

Over de rode kool van Jarrie blijkt het moeilijk zwijgen. De titel eist zijn aandacht op. Jarrie noemt zijn schilderijen van fruit en groente portretten. Is dat meer dan een grapje, omdat er nu eenmaal van dingen geen portretten worden gemaakt? Alleen van mensen, en in iets mindere mate van een paar andere diersoorten (paarden, honden) bestaan portretten. En waar in een portret van een mens juist het individuele wordt benadrukt – dat waarin het afwijkt van andere mensen, in al die honderden minieme variaties in vorm, kleur, grootte die het vinden van een dubbelganger juist zo zeldzaam maken – wordt in Jarries voedselkunst juist het algemene benadrukt, het citroenige van de citroen, het auberginige van de aubergine. Jarrie schijnt zijn onderwerpen op de markt te kopen met het speciale doel ze te schilderen, maar daar kiest hij dan toch de algemeenste exemplaren uit, de groentes die het dichtst bij de altijd arbitraire, norm liggen. Misschien wordt het ook in het geschilderde groenteschap tijd die norm te breken. Weg uit Plato’s grot, ver weg.

Man-steen (2019) Beeld Martin Jarrie/Museum Belvédère

Bij de supermarkt kun je tegenwoordig zakken kopen met ‘buitenbeentjes’, exemplaren van groentes die er, in de woorden van Albert Heijn, ‘anders uitzien dan we in Nederland gewend zijn’. „Denk bijvoorbeeld aan kleine paprika’s, kromme komkommers of appels die onvoldoende zijn gekleurd. Toch is er geen verschil in kwaliteit en versheid. Die is namelijk net zo goed!”

Van Jarries flora is er nog niet genoeg. Ik zou hem willen vragen van al zijn groente en fruit nóg een schilderij te maken, en het liefst nog een. Niet alleen een Mona Lisa-kool, een kool van Botticelli, maar ook een Oopjen. Pas dan zullen zijn portretten portretten zijn.

Martin Jarrie: Manger avec les yeux. Museum Belvédère, Heerenveen. T/m 5 april. museumbelvedere.nl