Recensie

Recensie Boeken

Het zalige stadsleven van een New Yorkse laatbloeier

Vivian Gornick Rond haar zestigste verjaardag gooit de New Yorkse Vivian Gornick (1935) haar leven radicaal om. Ze geniet volop van chique etentjes, wiet roken en wandelen door haar stad.

Rond haar zestigste verjaardag overkomt Vivian Gornick (New York, 1935) iets wonderlijks: iets in haar verzet zich tegen het dagdromen waar ze tot dan toe haar dagen en wandelingen mee vulde.

‘Van de ene op de andere dag’, schrijft ze in Een vrouw apart en de stad, ‘was de mogelijkheid me te verschansen in een gefantaseerde toekomst weggevallen. Alleen het immense en nu lege heden bestond nog.’ Er gaan wat maanden voorbij waarin ze moet wennen aan deze nieuwe manier van zijn. Uiteindelijk merkt ze, ze wandelt zoals regelmatig door New York, ‘dat ik de huid vond die me paste, dat ik leefde in het heden.’

Dat lijkt voor een vrouw die haar memoires zo’n beetje opent met de mededeling dat voor haar het glas altijd half leeg is, een montere constatering. Sterker nog, Gornick lijkt zichzelf na die wat duistere introductie tot doel gesteld te hebben die duisternis tegen te spreken. Het tegengif: de stad met daarin alles en iedereen die erbij hoort. Kunst, ook, en literatuur en vriendschappen. Vooral die met Leonard, ook nogal van het halflege glas. Wekelijks maken ze samen – hevig mopperend – een wandeling.

Joint roken

Ik schrijf ‘introductie’, maar essayist, biograaf en criticus Vivian Gornick komt niet op haar vierentachtigste uit de lucht vallen – ze schreef in de jaren tachtig al memoires die volgens sommigen het pad voor het persoonlijke essay baanden (Fierce Attachments, hier in 2017 vertaald als Verstrengeld) en eerder zette ze zich met onder meer Essays in Feminism op de kaart als scherpzinnig observator en feminist. Je kunt langs tientallen boeken haar leven, haar kijk op cultuur en maatschappij volgen.

Lees ook het interview met Vivian Gornick: ‘Op straat, tussen de mensen, kom je jezelf pas echt tegen’

Toch hoef je dat niet gedaan te hebben om Een vrouw apart en de stad, oorspronkelijk uit 2015, te kunnen waarderen. Gornick schetst in kernachtige zinnen (‘ik was tien minuten getrouwd, rookte vijf minuten marihuana’) wat je moet weten, met de rest ga je als vanzelf mee. Een van de manieren waarop ze dat doet is door de lezer te trakteren op prettige anekdotiek. Een oude zwartrijder die zijn wandaad zo hard blijft ontkennen dat een bus stilgezet wordt, de gesprekken van voorbijgangers op straat, toevallige ontmoetingen met oude kennissen.

Een andere manier waarop Gornick je erbij houdt, is door te schrijven alsof ze je alles in levenden lijve uit de doeken doet. ‘Toen ik twee weken geleden gebeld werd…’ opent ze een heerlijke passage die uitmondt in een ongemakkelijk etentje in een te chique woning. Om dan soepel over te gaan naar een literaire bespiegeling op het gebeurde – wie had dit etentje en de deelnemers eraan kunnen bedenken? Henry James, of toch eerder Edith Wharton?

Verlangen naar mannen

Het boek staat bol van schijnbare tegenstellingen: het kernachtige van Gornicks zinnen, de luchtige verhalen, tegenover filosofieën over kunst en leven. Het stellige waarmee ze zaken kan verkondigen, haast als aforismen (‘Er bestaan twee soorten vriendschap: […] Voor de eerste soort vriendschap zet je dingen opzij: voor de tweede zoek je een gaatje in je agenda’), met daartegenover een eeuwige twijfel, het terugverlangen naar ‘absolute waarheden’, zoals ze op een bepaald moment uitroept. Het verlangen naar mannen, het ‘onzichtbare gordijn’ dat tussen de seksen hangt en (volgens Gornick) échte connectie verhindert. Highbrow kunst en de achterbuurt van haar jeugd die haar nooit heeft verlaten. De grootste tegenstelling blijkt die tussen het gewenste of gefantaseerde, en de werkelijkheid. Gornick noemt ‘de kloof tussen theorie en praktijk’ ergens een ‘een diep dal […] waarin ik ronddool, als een soort Dante, altijd maar hopend dat ik er voor mijn dood in zal slagen langs de helling omhoog te klimmen en de vlakke grond daarboven te bereiken.’

Lees ook: Ze is ver boven de zeventig, heeft een minnaar én een vierde huis

Weer vrij duister. Terwijl ze met Een vrouw apart in de stad uiteindelijk sterk de indruk wekt dat ze, het half lege glas feestelijk geheven, het (stads)leven viert. ‘Als het leven begint aan te voelen als een opstelsom van zijn gebreken,’ schrijft ze, ‘maak ik een wandelingetje naar Times Square’. Het ‘permanente karakter’ van de menigte lijkt haar overeind te houden. De dronkenlappen en de verliefden, de achterbuurten en promenades.

Misschien lees ik dit boek graag doordat ik die liefde voor een stad deel – iets dat niet van iedereen gezegd kan worden, uiteraard. Gornick wijst er zelf op: ‘De straat blijft in beweging en daar moet je wel van houden. Je moet de melodie van het ritme ontdekken, het verhaal uit de beweging lichten, begrijpen en niet betreuren dat de ontwikkeling van de plot makkelijk ontspoort, maar altijd door blijft gaan. Komt de beschaving ten einde? Is de stad krankzinnig geworden? De eeuw surrealistisch? Loop vlugger. Vind de draad sneller.’