Jelle Reumer (l) over Anne Schulp (r): „Anne had m’n zoon kunnen wezen. Hij is een dinoman die alles weet van nieuwe technieken.”

Foto’s Annabel Oosteweeghel

Interview

„Dinosaurusbotten blijven toch kingsized-kippenbotjes”

Jelle Reumer en Anne Schulp Jelle Reumer was vijftien jaar hoogleraar paleontologie in Utrecht. Samen met zijn opvolger Anne Schulp blikt hij terug én kijkt vooruit. „Ik ben zelf een soort een negentiende-eeuwse onderzoeker, een morfoloog die zoekt naar bobbeltjes en knobbeltjes op fossielen.”

Met een groen penseel in zijn linkerhand tuurt paleontoloog Jelle Reumer (66) door een microscoop. Onder het objectief staat een plastic bakje met piepkleine scherpe tanden. „Dit is toch prachtig”, mompelt hij. Naast hem knikt collega Anne Schulp (45) instemmend: „Haaientandjes uit het Rhaetien, het laatste tijdvak van het Trias. Ruim 200 miljoen jaar oud. Heel mooi.”

Reumer duwt een van de tanden met het penseeltje een beetje opzij. „Kijk eens hoe puntig. Deze vonden we afgelopen zomer in de groeve in Winterswijk, samen met een heleboel andere microscopisch kleine tandjes. Vlak voor de overgang van het Trias naar het Jura vond er een massa-extinctie plaats waarbij heel veel vissen zijn gesneuveld...” Dan legt hij het penseel terzijde en staat op. „Koffie?”

Reumer en Schulp leerden elkaar rond 2000 kennen, tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse Kring van Vertebratenpaleontologen. Schulp: „Eens in de zoveel tijd komen we samen met mensen die beroepsmatig of vanuit eigen interesse geïnteresseerd zijn in paleontologie. Bakje koffie, beetje praten over fossielen...” Reumer: „Jij was toen net afgestudeerd, een jonkie nog.”

Officieel is Reumer sinds 18 december met emeritaat, na bijna vijftien jaar hier aan de Universiteit Utrecht te hebben gewerkt als hoogleraar vertebratenpaleontologie. Vertebraten zijn gewervelde dieren. Maar paleontoloog-af is hij allerminst. Sinds vorig jaar is hij gastmedewerker bij Naturalis in Leiden, en op Mallorca is hij al jaren wetenschappelijk adviseur voor het Museu Balear de Ciències Naturals. „En er staan nog meerdere boeken op de planning...” In februari 2019 volgde Schulp hem op als hoogleraar.

Tijd voor een terugblik én een vooruitblik op hun vakgebied. Vrij vertaald uit het Oud-Grieks betekent paleontologie ‘de studie van oude wezens’. En binnen die brede discipline staan Reumer en Schulp schijnbaar lijnrecht tegenover elkaar. De één is bioloog, gepromoveerd op spitsmuizen in het Vroege Pleistoceen, zo’n 2,5 miljoen jaar geleden, en nu gespecialiseerd in zoogdieren. De ander is geoloog, gepromoveerd op mosasauriërs – zwemmende reptielen in het Krijt, 66 miljoen jaar geleden – en nu gespecialiseerd in dinosauriërs.

Reumer: „Wij zoogdierpaleontologen zien dinosaurusbotten toch altijd als king-sized kippenbotjes.” Schulp: „Terwijl dino’s juist mooi uitdagend zijn. Met zoogdieren heb je de luxe dat je botten vaak kunt vergelijken met een nauwe, nog niet uitgestorven verwant. Een dinosaurus moet je klemzetten tussen z’n afstammelingen de vogels en zijn neefje de krokodil, en dan zoveel mogelijk bewijs proberen te verzamelen voor een juiste interpretatie.”

Anne Schulp: „Er zijn twee wetenschappen die zich bezighouden met Zeer Grote Vragen als ‘waar komen we vandaan’ en ‘waar gaan we naartoe’: de sterrenkunde en de paleontologie.”

Het klinkt als gebroederlijk gesteggel. Al die verschillen brengen vooral ook voordelen met zich mee, zegt Reumer: „Ik ben blij dat Anne mijn opvolger is. Niet alleen omdat hij ontzettend goed is in wat hij doet, maar ook omdat hij voor een inhoudelijke verbreding van het vak zorgt. Anne had m’n zoon kunnen wezen, dat generatieverschil zie je terug in onze werkwijze. Hij is een dinoman die alles weet van nieuwe technieken binnen de paleontologie.”

Wat voor nieuwe technieken zijn dat dan?

Schulp: „Denk aan 3D-scanning, isotopenonderzoek, XRF – voluit röntgenfluorescentie...”

Reumer, lachend: „Die jongen praat over onbegrijpelijke termen als XRF, terwijl bij mij juist de focus op het tastbare ligt. Ik ben zelf een soort een negentiende-eeuwse onderzoeker, een morfoloog die zoekt naar bobbeltjes en knobbeltjes op fossielen.”

Schulp: „We vullen elkaar aan. Een paar weken terug hadden we een fossiel uit Winterswijk dat niet uitblonk in duidelijkheid. Toen heb ik dat meegenomen naar de natuurkundefaculteit hier vlakbij, en hebben we met ultraviolet laserlicht het stuk steen bekeken. Daardoor ontdekten we dat we een garnaal in handen hadden, compleet met pootjes. En vervolgens hadden we de morfologie weer nodig om de laatste stukjes van de puzzel op te lossen, en te achterhalen om wát voor soort garnaal het ging. Daar word ik superenthousiast van.”

Terwijl een garnalenpootje toch heel iets anders is dan een dinopoot...

Schulp: „Ja, maar mijn fascinatie voor dino’s betekent niet dat ik opeens geen oog meer heb voor kleinere fossielen. Sterker nog: mijn fascinatie voor paleontologie begon juist bij kleine fossielen. Al op de basisschool zocht ik tijdens zomervakanties in Duitsland en Frankrijk naar ammonieten en haaientanden. Mijn fossielenhobby was zelfs medebepalend voor de vakantiebestemmingen van ons gezin. En soms werden dat speciale verzameltripjes met een vriendje dat ook verzamelde. Ik ben aardwetenschappen gaan studeren omdat paleontologie daar een onderdeel van vormde, en omdat het multidisciplinaire me wel aansprak: de combinatie met vakken als geochemie en natuurkunde.”

Reumer: „Ik was vroeger juist alleen geïnteresseerd in levende natuur. Ik ging biologie studeren in Utrecht, want ik wilde botanicus worden. Tot ik in het tweede jaar paleontologiecollege kreeg van Paul Sondaar, die een stapel botten voor me neerlegde en zei: ga hier maar mee puzzelen... Het bleken hertenbotten uit het Pleistoceen te zijn. Toen was ik verkocht.”

Waarin schuilt de aantrekkingskracht van de paleontologie?

Reumer: „Paleontologie behandelt de kern van ons bestaan. Het verhaal van het ontstaan van het leven. Al heeft het natuurlijk ook gewoon een hoge leuk-factor.”

Schulp: „Er zijn twee wetenschappen die zich bezighouden met Zeer Grote Vragen als ‘waar komen we vandaan’ en ‘waar gaan we naartoe’: de sterrenkunde en de paleontologie. Allebei hebben we een langetermijnblik: sterrenkundigen kijken over een tijdschaal van miljarden jaren, wij vooral naar de laatste half miljard jaar.”

Reumer: „Het is natuurlijk een beetje koffiedik kijken wat betreft de toekomst. maar uit het verleden kun je wel een hoop lessen trekken. Bijvoorbeeld over hoe kwetsbaar we zijn als soort: voor je het weet ben je uitgestorven. Zo helpt paleontologie biodiversiteit te begrijpen én te waarderen. Vaak hebben we het idee dat de evolutie leidde tot de mens als kroon op de schepping. Maar ook de pissebed en de kakkerlak zijn het resultaat van 3,5 miljard jaar evolutie. We zijn allemáál kroon op de schepping.”

Hebben jullie een lievelingsfossiel?

Jelle Reumer: „Ook de pissebed en de kakkerlak zijn het resultaat van 3,5 miljard jaar evolutie. We zijn allemáál kroon op de schepping.”

Reumer: „Voor mij zijn er twee fossielen die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn loopbaan. De onderkaak van een sabeltandtijger, opgevist uit de Noordzee. Nu lijkt het alsof altijd al bekend was dat hier sabeltandtijgers rondliepen tijdens de laatste ijstijd. Maar tot 2000 ging iedereen ervan uit dat sabeltandtijgers al zo’n 300.000 jaar geleden uitstierven. Het onderzoeksteam waar ik leiding aan gaf heeft vastgesteld dat de ouderdom van deze kaak maar zo'n 28.000 jaar is, en dat was echt een doorbraak. De tweede belangrijke ontdekking was de ontdekking van de Livyatan melvillei, een enorme fossiele roofpotvis met de grootste bek ooit. Hij had tanden van ruim 30 centimeter, en was misschien wel het grootste roofdier ooit.”

Schulp: „Voor mij zijn Bèr en Trix allebei heel belangrijk. Bèr was de mosasaurus die in 1998 in de ENCI-kalksteengroeve bij Maastricht werd aangetroffen. Ik liep toen nog stage bij het Natuurhistorisch Museum Maastricht en we ontdekten dat het niet om een exemplaar van een al bekende mosausaurussoort ging, maar om een soort die een stuk massiever was dan zijn nauwste verwanten. En Trix is de T. rex die we in 2013 hebben opgegraven in Amerika, in Montana, en die we in 2016 met behulp van een crowdfundingsactie naar Nederland hebben gehaald, naar Naturalis, waar ik tegenwoordig ook een deel van de tijd werk.”

Winterswijk, de ENCI-groeve... Nederland klinkt als een goed paleontologenland.

Reumer: „Zeker. Vergeet ook de Westerschelde niet – daar is in de groene zanden van Mioceen-ouderdom naast ettelijke walvissen weleens een fossiele lederschildpad gevonden – en natuurlijk de Tweede Maasvlakte, waar door amateurs al een hoop mooie beesten gevonden zijn. De rol van amateurs binnen de paleontologie is heel belangrijk.”

Schulp: „Al heeft amateurs een negatieve bijklank, ik heb het liever over liefhebbers.”

Reumer: „Ja, of vrijetijdswetenschappers... Dat we zoveel fossielen in de musea hebben, is grotendeels aan hen te danken. In Nederland is het verzamelen van fossielen toegestaan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Italië. Daar ben je in overtreding als je een ammoniet in je broekzak stopt – dus houd je je mond. Alleen walvissen en mammoeten blijven daar liggen voor de wetenschap, want die passen niet in je zak. Maar de rest verdwijnt stilletjes in privécollecties. In Nederland kun je een bijzondere vondst gerust rapporteren zonder bang te zijn dat je hem moet afstaan, en dat komt de paleontologie ten goede.”

Veel van die fossielen belanden in bruikleen in musea. Liggen ze daar niet te verstoffen?

Schulp: „Verstoffen vind ik een enge beeldspraak, want als er ergens geen stof is dan is het wel in die musea. Het belang van natuurhistorische musea moet je sowieso niet onderschatten – ze hebben zowel een belangrijke educatieve functie als een bewaarfunctie. Dankzij die nieuwe technieken waar we het net over hadden kunnen we met een frisse blik naar oude collecties kijken. Dankzij 3D-scans kun je bijvoorbeeld precies achterhalen hoe het brein van een fossiele schedel eruitzag, zonder dat je je slijptol in het fossiel hoeft te zetten. Of denk aan biomechanica: door bijvoorbeeld een computermodel of een robotdinosaurus te maken, kun je dieren die je nooit in het echt hebt gezien toch op spreekuur krijgen. Een student van me analyseert nu op basis van een computermodel bijvoorbeeld hoe de T. rex zijn staart bewoog.”

Reumer: „Films worden daardoor ook realistischer. En juist door die films ontstaat soms interesse in paleontologie. Kinderen van 7 zijn helemaal gek op Jurassic Park. En dankzij Ice Age krijgen ze gelukkig ook nog wat mee over mammoeten en sabeltandtijgers...”

Schulp: „Al moet je het wel realistisch houden. Zo’n scene als in Jurassic Park, waarin ze een compleet skelet opgraven, is heel onrealistisch. Zo makkelijk gaat het meestal niet.”

Reumer: „Je bent geen Indiana Jones in een kakikleurig overhemd. Of áls je al zo’n overhemd hebt, dan draag je er tegenwoordig een geel veiligheidsvestje en een helm bij.”

Schulp: „Mensen hebben vaak een heel verkeerd beeld van wat eng is tijdens veldwerk. De grootste gevaren zijn geen slangenbeten of landmijnen, maar vallende stenen en verkeersongelukken.”

Is er met alle nieuwe technieken nog wel romantiek in de paleontologie?

Beiden, in koor: „Absoluut.”

Reumer: „Van de nu nog levende grote zoogdieren kennen we de meeste wel, maar als je naar de uitgestorven soorten zoekt, kun je spectaculaire vondsten doen. Het blijft één grote ontdekkingsreis.”