Opinie

De schrijver als zwoegende zzp’er

Michel Krielaars

Afgelopen week gaf ik in een zaal in het Kennemerland een muzikaal omlijste lezing over Rusland. Het 100-koppige, toegewijde publiek was dankbaar en het honorarium karig. Op de terugweg naar huis moest ik ineens denken aan al die Nederlandse schrijvers die niet van de verkoop van hun boeken kunnen leven en daarom moeten bijklussen om de energierekening te kunnen betalen. Als ze regelmatig op televisie verschijnen, kan dat bijklussen zeer lucratief zijn, omdat ze dan hun televisieroem kunnen verzilveren.

Een paar jaar geleden mocht ik invallen voor zo’n beroemde televisieschrijver, die wegens ziekte een lezing voor een gezelschap CEO’s had afgezegd. Van de organisatoren kreeg ik na afloop het voor die beroemdheid bestemde honorarium, dat het tienvoudige was van wat ik anders kreeg.

Nu zijn televisieschrijvers in Nederland op de vingers van een hand te tellen en hebben de meeste anderen het nakijken. Je zou daarom bijna al je vrienden willen oproepen om het leverbare werk van die niet-televisieschrijvers op te kopen, zodat ze herdrukt worden en zonder geldzorgen in alle rust kunnen doorwerken. Mijn solidariteit met hen nam nog verder toe tijdens het lezen van Werken & Dagen, een kleine selectie uit de dagboeknotities van schrijver Geerten Meijsing (1950). Het is een voorpublicatie uit een later te verschijnen dagboek, die zijn uitgeverij als nieuwjaarsgeschenk in een kleine oplage heeft laten drukken. Meijsing laat zich in die dagboeknotities uit over zijn gevecht met het kunstenaarsbestaan, maar ook over zijn moeizame liefdes en zijn angst om door zijn uitgever Theo Sontrop te worden afgewezen.

De dagboeknotities – van december 1974 tot en met januari 1991 – worden afgewisseld door gedichten, te doen-lijstjes, titels van aan te schaffen en dringend te lezen boeken, toepasselijke citaten zoals ‘Damn the Muses. I abominate them and all their Works, they are the Nurses of Poverty and Insanity.’

De toch al zwartgallige Meijsing laat zien hoe ellendig een schrijversleven kan zijn, ook al heeft hij een rijk oeuvre. Zo noteert hij op 9 december 1975: ‘het werk en de financiën, beide in de prak.’ Hij maakt in die dagen nog deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co, dat onder meer Baron Corvo’s decadente roman Hadrian the Seventh vertaalt. Maar ook dat schiet niet op. En dan is er nog die ellendige belastingaanslag!

Een paar jaar later, in 1980, verhuist Meijsing naar Toscane, een streek waar hij zich meer thuis voelt dan in Nederland, ook door zijn liefde voor Latijnse en Italiaanse schrijvers. Vanaf dat moment is hij een zelfgekozen balling, die slechts af en toe zijn geboortegrond opzoekt, waar hij zich ergert aan de druktemakerij over aids en de tweede feministische golf. Nog altijd is hij voor zijn inkomsten deels afhankelijk van zijn vertalingen van onder anderen Norman Douglas, George Gissing en Marcel Proust voor de serie Privé-domein.

Wat hem siert is dat hij ondanks zijn tegenslag succesvollere vrienden zoals A.F.Th. van der Heijden blijft bewonderen: ‘hij waagt dingen uit te spreken waarvoor ik zou terugdeinzen; hij schaamt zich niet voor zijn schaamte!’

En als hij niet op gang komt met schrijven, pept hij zich op door te noteren: ‘Ik houd van mijn werk, ook al verfoei ik het.’ Volgens mij is dat het ware kunstenaarschap. Schrijven is voortploeteren als een galeislaaf, ook al volgt de beloning pas aan het einde van een woeste en uitgestrekte oceaan.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.