De muziek telde, niet de pianiste

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Toos Onderdenwijngaard (1926-2019) hield van Liszt en leefde net als hij steeds eenvoudiger.

‘Talent verplicht’ was de lijfspreuk van Toos Onderdenwijngaard – een adaptatie van Liszts uitspraak ‘génie oblige’. Wie talent heeft, moet niet minder maar juist harder werken. Muziek kwam voor haar op de eerste plaats. Ze stelde aan haar studenten aan het Koninklijk Conservatorium dezelfde hoge eisen als aan zichzelf op het concertpodium.

Adriana Jacoba Onderdenwijngaard – Toos – werd in 1926 in Den Haag geboren en groeide als enig kind op in een welgesteld Wassenaars milieu. Haar eerste pianolessen kreeg ze van muziekuitgever Abraham Noske en diens vrouw, concertpianiste Leny Noske-Friedlaender. In een vlak voor haar dood verschenen interview in het Tijdschrift van de Franz Liszt Kring memoreerde Onderdenwijngaard dat de basis voor haar studieuze instelling werd gelegd door Leny Noske, die zei: „Je kent een stuk pas wanneer je het kunt spelen als ik je midden in de nacht wakker zou maken.” Na de privélessen in huize Noske studeerde ze aan het conservatorium bij Nelly Wagenaar, en vervolgens in Parijs bij Marguerite Long en Jacques Février. De beroemde pedagoge Long legde veel nadruk op de pink. Onderdenwijngaard in het Liszt-tijdschrift: „Als ik naar talentvolle, jonge pianisten luister, bijvoorbeeld tijdens concoursen, vraag ik me vaak af hoe iemand nou met zo’n slappe pink kan spelen? Die zou er bij Long meteen uitgegooid zijn!”

In 1949 won ze als eerste de Elisabeth Evertsprijs, de aanmoedigingsprijs voor Nederlands muziektalent van uitzonderlijk niveau. Ze trad op in binnen- en buitenland, met onder meer het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Residentie Orkest. Rusland trok haar altijd aan, en van twee concertreizen door de toenmalige Sovjet-Unie zei ze dat alleen al die tournees het vele studeren de moeite waard hadden gemaakt. „Zelfs als ik ’s avonds om half elf ergens aankwam, regelde mijn tolk dat ik een vleugel tot mijn beschikking kreeg en kon ik die nacht zolang als ik wilde nog studeren. Dat was geweldig, een droom gewoon.”

Onderdenwijngaard maakte een groot aantal plaatopnamen met opnameleider Max Hallensleben. Ze specialiseerde zich allengs in Franz Liszt, voor wiens muziek ze een passie opvatte toen ze in Wenen bij Viola Thern studeerde. Met Martijn van den Hoek voerde ze vierhandige werken van Liszt uit. Het was niet het uiterlijk vertoon dat ze in Liszt zocht (‘ik ben geen fenomenale supervirtuoos’), ze wilde de diepe structuur van zijn muziek tot klinken brengen. Haar nadruk op eenvoud in de interpretatie sloeg aan, de kritieken voor platen en concerten waren lovend en de Nederlandse waardering voor Liszt groeide. In 1979 was ze een van de oprichters van de Franz Liszt Kring.

Organist en pianist Christo Lelie kent haar als mede-bestuurslid van de Franz Liszt Kring en is de auteur van het interview in het Liszt-tijdschrift. „De trait-d’union tussen ons was Liszt en heeft tot een ruim dertigjarige vriendschap geleid. Toos was een totaal oprecht iemand met een duidelijke opvatting: geef de partituur strikt weer in het voorgeschreven tempo en ga daar zelf niet mee aan de haal. Ze verwierp pianisten die hun eigen karakter in de muziek willen leggen. Dat is niet eerlijk, zei ze, je moet gewoon de componist laten spreken.

„Eenvoud zocht ze niet alleen in de muzikale interpretatie maar ook in haar leven. Ze woonde in een prachtige villa vol mooie spullen die haar ouders haar hadden nagelaten, maar eigenlijk was ze heel onthecht en zat ze met dat bezit eerder in haar maag dan dat ze ervan genoot. Liszt werd tegen het eind van zijn leven katholiek en ging steeds onthechter leven, terwijl zijn muziek eerlijker, kaler, dunner werd, totdat de essentie overbleef. Bij Toos werd de religieuze beleving net zo belangrijk als bij Liszt. Liefst was ze in een klooster gegaan.”

Onderdenwijngaard was gesteld op haar vrijheid, vooral om ongestoord te kunnen studeren, en leefde tot haar dood – ze stierf afgelopen kerstmis, omringd door haar hechte kring van dierbaren – alleen in de Wassenaarse villa. Marleen Noske, kleindochter van Leny Noske en dochter van meesterviolist Willem Noske: „Omdat haar ouders weinig interesse voor muziek hadden is Toos min of meer opgenomen in het huis van mijn grootouders. Dat is een heel innige band geworden, ze is eigenlijk al zesentachtig jaar in de familie. Ze heeft haar carrière voorrang gegeven boven een normaal gezinsleven, maar een soort gezin is haar uiteindelijk toch ten deel gevallen. Mijn zoon David, van wie Max Hallensleben de vader is, was de grote lieveling van Toos, haar petekind. Ondanks haar leeftijd stond ze midden in het leven. Ze reed nog auto, ze had nog leerlingen, ze was nieuwsgierig, ze was onverschrokken. Het heeft ons eigenlijk verbaasd dat ze is overleden.”