Recensie

Recensie Boeken

De mogelijkheid om te veranderen: van wortel in nijlpaard

Hoe te schrijven? Als een bobsleeër of eerder als een jongleur? Genreconventies volgend, of juist zoekend? Autobiografisch of fictief? Een echtpaar twist erover in ‘Kwispelen met de ketting’, het meest geslaagde verhaal in Hoe Matt een dode vis werd, het prozadebuut van voormalig VPRO Boeken-presentator Jeroen van Kan (1968). Zij schrijft soaps en hij romans, en alleen al dat leidt tot een hoop onmin.

Het lukt hem ternauwernood zijn ‘innerlijke Willy Vandersteen’ het zwijgen op te leggen, smaalt de vrouw, en geen allitererende titels te bedenken. De man, hoogdravend, vraagt zich af waarom ze samen zijn: ‘Is zijn leven de som van besluiten of heeft hij gewoon maar wat rondgedobberd op die nauwelijks te bevaren zee van casualiteiten die we de werkelijkheid noemen?’ Van Kan maakt zijn zelfingenomenheid voelbaar: voor een extra potsierlijk effect komt het gedobber nog eens terug, een pagina later.

Geen van beiden is gelukkig in zijn metier, laat staan met de ander. Alle twee zouden ze ongetwijfeld liever bij enig ander lief, in enig ander land verkeren. Nog beter zou het zijn zélf een ander te zijn. De mogelijkheid te kunnen veranderen speelt in alle verhalen van deze wervelende bundel de hoofdrol, soms als wens, soms als noodlot. Van Kan verkent speels en verrassend wat een metamorfose in kan houden. De drie lange verhalen in de bundel zijn het sterkste, de korte overtuigen wat minder. Van een zo’n verhaal blijft, ook bij herhaalde lezing, onduidelijk waar het over gaat (‘Neem me mee’).

Verraderlijk

In het verhaal over het echtpaar is de verteller zelf verraderlijk van aard: wordt dit verhaal (met zijn allitererende titel) door hun beiden verteld, zoals gesuggereerd, of verzint de een de ander? Er staan auteursaanwijzingen in zoals ‘[beschrijven???? Of lafjes overslaan????]’, middenin een seksscène. Het gekke is dat je desondanks per se wilt weten hoe het verder gaat, er toch in gelooft. Van Kan schrijft soepel en slim.

Prettig gestoord, maar wel wat uitgesponnen, is het titelverhaal van Hoe Matt een dode vis werd. Kleine Matt hoorde zijn vader graag een sprookje voorlezen over een lelijke prins. Die prins wordt elke dag wakker als iemand anders: Van Kan deinst niet terug voor verhalen-in-verhalen en vertelt het hele sprookje. Dit loopt niet goed af, maar eenmaal volwassen wordt Matt toch zelf ‘metamorfoseur’ in het circus. Hij kan in alles veranderen, een wortel, een nijlpaard, noem maar op, behalve in een vis, want zijn ouders zijn verdronken en naar zijn idee opgegeten door vissen. Hij heeft een visfobie. Maar als hij voor een zaal vol vissers optreedt, en vraagt wat ze willen dat hij wordt, scanderen ze: ‘Heilbot! Heilbot!’ Flatsj, daar ligt hij al aan hun voeten te kronkelen.

In weer andere verhalen wordt iemand ingehaald door een versie van zichzelf, wordt een man tot planeet bevorderd en geniet een roker ten volle van de vernietiging van zijn lichaam. Menigeen overweegt zelfmoord in dit boek.

Van Kan verkent op originele wijze en ondanks alle luim toch serieus, de implicaties daarvan. Zichzelf opheffen of opgeheven worden: dat is de vraag.