Opinie

Bedroefder, maar wijzer

Frits Abrahams

Onlangs herlas ik het boek Verstrengeld, de Nederlandse vertaling van Fierce Atttachments, een zogeheten memoir uit 1987 van de Amerikaanse schrijfster Vivian Gornick. Een bijzonder goed boek – ik schreef er enkele jaren geleden in deze rubriek al over. In Nederland kreeg Gornick, nu 84 jaar, terecht veel aandacht van schrijfsters als Simone van Saarloos en Marja Pruis, die interessante interviews met haar maakten. Ook Arnon Grunberg, die in New York bevriend met haar raakte, schreef bewonderend over haar.

Ik kwam opnieuw onder de indruk van Verstrengeld, een intens boek dat draait om de gecompliceerde relatie van Gornick met haar moeder. Al wandelend met deze moeder door New York kijkt Gornick terug op haar jeugd en latere verhoudingen met mannen. Ik herlas het omdat ik iets wilde schrijven over het vervolg, The Odd Woman and the City, dat veel later, in 2015, verscheen. In de vloeiende Nederlandse vertaling van Caroline Meijer heet het: Een vrouw apart. En de stad.

Mijn herlezing van Verstrengeld had één nadeel: het besef dat het moeilijk overtroffen kon worden. Dat is Gornick dan ook niet echt gelukt. Een vrouw apart. En de stad is een goed boek, maar het bevat te veel echo’s van Verstrengeld. De structuur is hetzelfde: in deze tweede memoir wandelt ze niet meer met haar moeder door New York, maar met Leonard, een homoseksuele vriend, die nogal vaag blijft. Ook valt ze soms in herhaling als ze over vroegere liefdes schrijft.

Maar daar staat opnieuw veel goeds tegenover. Als Gornick op dreef is, doet ze me aan Renate Rubinstein denken: even openhartig en direct, op het schaamteloze af, over haar persoonlijke leven. Er zit veel zelfoverwinning in hun werk, ze ontplooien zich tegen de klippen van verdriet en verbittering op.

Je zou verwachten dat zulke getalenteerde vrouwen vol zelfvertrouwen hun weg vinden, maar hun liefdesleven en de herinneringen aan hun jeugd vormen steeds weer barrières. Ze eindigen na een woelig leven als alleenstaande vrouw, bedroefder misschien, maar tegelijk met een wijsheid die hun werk diepte geeft.

In tegenstelling tot Rubinstein beschouwde Gornick zich vroeger als een ‘radicale feministe’. Ze heeft ook bezwaren geuit tegen het negatieve vrouwenbeeld dat ze bij collega’s als Philip Roth en Saul Bellow constateerde. Wat er van dat radicale feminisme is overgebleven, wordt in deze twee memoirs niet helemaal duidelijk. Ze beschouwt zich nog steeds als feministe, is mijn indruk, maar de activistische kantjes zijn er afgeslepen.

Tot de sterkste passages bij Gornick behoren die over de liefde. Eén voorbeeld tot besluit.

„Naarmate de jaren verstreken merkte ik dat de romantische liefde als een kleurstof in het zenuwstelsel van mijn emoties geïnjecteerd was en als een draad in alle delen van het weefsel van verlangen, fantasie en sentiment zat ingeweven. De romantische liefde kwelde mijn ziel, was een zeurende pijn in mijn botten, zat zo diep verankerd in de aard van mijn geest, dat het pijn deed aan mijn ogen om de invloed ervan recht in het gezicht te zien. De rest van mijn leven zou het een bron van pijn en innerlijke strijd blijven. Ik prijs mijn geharde hart – ik heb het al die jaren geprezen – maar het verlies van de romantische liefde kan er nog steeds aan knagen.”