Reportage

‘Afgemaakt als een dolle hond’

Indonesië Voor het plegen van oorlogsmisdaden tijdens de Indonesië-oorlog (1945-1950) is sindsdien nooit een Nederlandse militair veroordeeld. Ook niet de verdachten van de moord op Masdoelhak Nasoetion en twee anderen, in 1948 tijdens ‘Operatie Kraai’ bij Kaliurang. Reconstructie van een cold-case.

Masdoelhak Nasoetion (met baret) bij zijn promotie in 1943 in Utrecht.
Masdoelhak Nasoetion (met baret) bij zijn promotie in 1943 in Utrecht. Foto KITLV

Hier moet het ongeveer zijn. Tweehonderd meter van de plek waar de weg tussen Kaliurang en Pakem een bocht naar rechts maakt. Bamboe aan alle kanten. Een ravijn. Over de rand is door de bladeren heen in de diepte het stroombed te zien van de rivier, Kali Kuning (Gele Rivier). De aarde is zacht, merkt de gids op. Mas Heri is eigenaar van een bedrijf dat zogeheten ‘lava tours’ per jeep organiseert naar de top van de Merapi. Dat is de met mythen omgeven nimmer slapende vulkaan die hoog uittorent boven het sultanaat Yogyakarta in Midden-Java.

Hier, op deze plek moet het gebeurd zijn. Op de ochtend van de 21ste december 1948 reden manschappen van het Korps Speciale Troepen, onder commando van luitenant Rudy de Mey, naar die bocht. Ook met een jeep, trouwens. En hier schoten ze Masdoelhak Nasoetion, Soemarsono en een onbekend gebleven Javaan dood. Van de onbekende is wel bekend dat hij als bewaker werkte bij het huis van een minister, dr. Soekiman, die later nog premier werd. Twee anderen, Tje Kiemas en Dirdjoatmodjo overleefden de moordpartij. Kiemas doordat hij, door drie kogels gewond, het ravijn in viel, zijn val werd door de zachte grond gebroken. Dirdjoatmodjo wist weg te rennen, al was ook hij door kogels getroffen. Beide mannen zijn later gehoord als getuigen door de militaire politie.

Gids Heri schept een handvol van de donkere humuslaag op. Hij lijkt met zijn lange krullende haren op de activisten die vanaf 1996 in Yogyakarta in verzet kwamen tegen de toenmalige president Soeharto. Of op de peloppors, de jongeren die tussen 1945 en 1950 in milities vochten tegen de Nederlandse troepen die ‘orde en rust’ kwamen herstellen in de pas uitgeroepen republiek Indonesië.

Heri lacht als ik vraag of hij studentactivist is geweest. Hij is te jong, zegt hij. In de jaren 90 zat hij op de middelbare school. Het merendeel van de Indonesische bevolking is jong: 41 procent is jonger dan 25, de gemiddelde leeftijd is 30. Dat maakt dat vroeger ver weg is. En omdat betrouwbare schriftelijke bronnen schaars zijn, is het niet eenvoudig feiten te verzamelen over een ruim zeventigjarige coldcase.

Ik realiseer me dat het elf jaar geleden is dat een lezer mij mailde over de koelbloedige liquidatie die hier moet zijn uitgevoerd, twee dagen nadat Nederlandse parachutisten het vliegveld Maguwo van Yogyakarta hadden ingenomen. Dat gebeurde in het kader van ‘Operatie Kraai’, die in Indonesië bekend staat als ‘Tweede Nederlandse Militaire Agressie’ en in Nederland lange tijd ‘Tweede Politionele Actie’ heette. Er zaten foto’s bij de mail van doorslagen van een verklaring uit november 1949 van de destijds als hoofdverdachte aangemerkte sergeant-majoor Marinus Geelhoed. Daarin stonden zinnen als: „Daarna, toen we in onze kamer lagen, heeft luitenant De Mey mij gezegd dat de mensen opgeruimd moesten worden”. En: „Door de luitenant is toen gezegd dat de vlammenwerper moest worden gebruikt bij het opruimen van de gevangenen.”

Aan die zinnen moet ik denken aan de rand van de afgrond bij de Kali Kuning. De plaats van het delict lijkt een plek als alle andere. Maar het is een „schuldig landschap”, zou schrijver/schilder Armando zeggen, die de natuur rond het concentratiekamp Amersfoort vaak onder die titel thematiseerde. Een landschap dat ooggetuige was van een gruwelijke gebeurtenis en „zo schaamteloos was geweest om gewoon door te groeien”. De vraag is: wie waren zij, de daders? Maar vooral ook: wie waren de slachtoffers? Waarom werden die hier zonder vorm van proces omgebracht? En twee van hen – Soemarsono en de oppasser – ook nog eens onherkenbaar verminkt met een vlammenwerper?

De kali Kuning, Gele Rivier, op de helling van de Merapi. Langs de oever van de rivier werden Masdoelhak Nasoetion en twee anderen omgebracht.

 

Kippenjacht

Als later in de middag regens neerdalen op de tuin van het Hostel Vogels in Kaliurang, herlees ik wat over dit voorval in de Excessennota staat, die in 1969 in opdracht van het kabinet-De Jong werd opgesteld. De nota meldt dat justitiële autoriteiten en de militaire politie in Yogyakarta ruim drie maanden na de gebeurtenis een onderzoek instelden. Het rapport van de auditeur-militair, mr. E. Bonn, stelt dat Geelhoed de opdracht had om kippen te „fourageren”, en dat „mr. Nasoetion c.s.” aan de patrouille zouden zijn „meegegeven”. Dat de gevangenen volgens de militairen probeerden te vluchten en werden neergeschoten. Maar dat dit werd weersproken door twee overlevenden. Uit de Excessennota blijkt dat het nooit tot berechting is gekomen van de verdachten omdat het dossier bij de soevereiniteitsoverdracht werd vernietigd. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de rechtszaak werd getraineerd door de militaire en gerechtelijke autoriteiten in 1949.

Duidelijk wordt ook uit de Excessennota dat er destijds een nationale en internationale rel rond deze zaak was ontstaan. De Nederlandse pers had er lucht van gekregen, de latere geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog, Lou de Jong, had tijdens een bijeenkomst voorgelezen uit een brief waarin een anonieme officier het buitensporige gedrag van militairen tijdens het offensief tegen Yogyakarta hekelde. Er waren vragen over gesteld in de Tweede Kamer. Bovendien hadden de Republikeinse autoriteiten de kwestie aanhangig gemaakt bij de Verenigde Naties. Ook meldt de Excessennota dat de weduwe van Nasoetion brieven had gezonden, die op het bureau terecht waren gekomen van de tijdelijk minister van Overzeese Gebiedsdelen, Johan van Maarseveen (KVP). Hij was het die ook aandrong op een strafrechtelijk onderzoek naar de kwestie.

De weduwe van Nasoetion was een Nederlandse vrouw: Adriana van der Have. Masdoelhak en zij waren in 1939 in Zuilen getrouwd. Omdat Adriana na de soevereiniteitsoverdracht in 1950 een rechtszaak aanspande tegen de Nederlandse Staat, die zij won, is er over Nasoetion veel meer informatie dan over de andere mannen die op 20 december gevangen genomen waren in Kaliurang. Zelfs meer dan over majoor Tje Kiemas, die de vader was van Taufik Kiemas, de latere echtgenoot van Soekarno’s dochter Megawati, die zelf tussen 2001 en 2004 president was van Indonesië.

Masdoel is vermoedelijk vermoord. Mijn God laat het niet waar zijn!

Adriana van der Have weduwe

Nasoetion was in de oorlog in Utrecht gepromoveerd op een proefschrift over de rol van de vrouw in de Batakse samenleving. Voluit heette hij mr. dr. Masdoelhak Hamonangan Nasoetion Gelar Soetan Oloan, afkomstig uit een vooraanstaande Batakse familie uit de havenstad Sibolga in Noord-Sumatra. Sinds zijn studiejaren in Nederland was hij bevriend met Mohammed Hatta, die samen met Soekarno de republiek Indonesië proclameerde op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie. Ook Adriana kende Hatta nog uit Nederland. Toen hij economie studeerde in Rotterdam in de jaren twintig, gaf Adriana’s vader Hatta thuis bijles.

Masdoel (zoals Adriana haar man noemde) werd nadat het gezin na de oorlog naar Indonesië was verhuisd, de rechterhand van Hatta, die in 1948 premier en vicepresident was van de republiek. Nasoetion was Hatta’s adviseur bij de onderhandelingen tussen de republiek en Nederland die in 1948 via de Commissie van Goede Diensten van de piepjonge Verenigde Naties, afwisselend gehouden werden in Jakarta en Kaliurang. Dat was – en is – een koloniaal vakantiedorp hoog op de flank van de Merapi. Voor de oorlog zocht de elite van de Nederlands-Indische samenleving hier verkoeling.

Na het verdwijnen van haar man was het Adriana van der Have verboden contact te maken met familie of vrienden in Nederland. Via kennissen wist zij toch brieven te versturen aan de bevriende familie Maas in de Utrechtse Wilhelminaparkbuurt. In de brieven die via architect Willem Maas bij minister Van Maarseveen (die in dezelfde buurt woonde) op het bureau belandden, schrijft Adriana van der Have aan haar vriendin ‘Tono’ Maas dat zij lang in het ongewisse bleef over het lot van haar echtgenoot. Ze was op het moment van de moord in het ziekenhuis van Yogyakarta om te bevallen van haar vierde kind, Anwar. Op 23 januari 1949 schrijft ze vanuit Yogyakarta dat ze begin januari bezoek kreeg in Kaliurang van de lokale chef van de Nederlandse inlichtingendienst en de officier van justitie. „Deze heren deelden mij mede, dat ik rustig kon aannemen voor 99 procent weduwe te zijn. Masdoel is verdwenen, vermoedelijk vermoord. Mijn God laat het niet waar zijn! Ik kan niet meer verder schrijven. Tono-lief die arme kinderen, hoe toch in Godsnaam.”

Zeven dagen later heeft zij van Tje Kiemas, die de moordpartij overleefde, gehoord dat „Masdoel laf en verraderlijk door de Hollanders is vermoord, afgemaakt als een dolle hond”. Ze schrijft nog een brief naar Tono: „Constant, wat ik ook doe, zie ik Masdoel daar hurken, en ik hoor zijn gekerm. Ik zal dat nooit kwijtraken. Verder is alles in mij dood, het zijn slechts onze vier jongens voor wie ik moet leven. Ik heb nooit kunnen vermoeden dat haat zo verschrikkelijk is. […] Denk je dat Sinar, Tigor en Paroehoem (drie zoons, red.) ooit zullen kunnen vergeten, hoe hun vader voor hun gezicht het huis uitgeslagen werd door de Hollandse soldaten […]? Zo ooit God bestaan heeft waarom gebeurt dit dan?”

Ook schrijft Adriana: „Mijn man is niet de enige vooraanstaande Indonesische intellectueel, waar dit mee gebeurd is.”

 

Heldenbegraafplaats

Een week eerder ben ik in de door hemzelf in vooroorlogse stijl gebouwde villa van Tigor Nasoetion (74) tussen de theeplantages in de heuvels ten westen van Bandung. Ik ben meegereden met Tigors jongere broer Paroehoem (73), die in Jakarta woont. Beide mannen hebben in de jaren zestig in Nederland gestudeerd, in Utrecht. Paroehoem werd bankier en vestigde zich in Jakarta waar hij in de directie zat van verschillende beursgenoteerde bedrijven. Tigor ging in zaken, was honorair consul van Nederland in Bandung waar hij nog lang woonde met zijn moeder, die daar in 1994 overleed. Haar as hebben haar kinderen uitgestrooid over het graf van Masdoelhak op de heldenbegraafplaats van Yogyakarta. Tigor is nu ‘in ruste’ maar hij heeft nog een kleinschalig biologisch landbouwbedrijf hier in de heuvels.

Tigor was nog geen vijf jaar toen zijn vader door de leden van het Korps Speciale Troepen (KST) werd opgehaald. En zijn moeder kreeg gelijk: hij is het nooit vergeten. Hij weet nog dat hij op zijn donder had gekregen van zijn vader omdat hij zijn broertje Paroehoem achternazat met een strijkijzer. En ook dat zijn vader de hele dag bezig was met het verbranden van papieren in de achtertuin. Er hing rook in huis.

Achteraf bleek dat de regering-Soekarno rekening hield met het komende offensief van de Nederlanders. Het kabinet was al dagen bijeen in het presidentiële paleis in Yogyakarta. Een van de militairen die daarbij was, toenmalig kolonel T.B. Simatupang, schreef twaalf jaar later, in 1960, in zijn memoires Laporan dari Banaran dat er die ochtend vooral veel discussie was tussen de militaire top en Soekarno en Hatta over hun voornemen zich gevangen te laten nemen door de Nederlanders.

Ook schrijft hij over Hatta die onderweg van Kaliurang naar Yogyakarta onder vuur werd genomen door een Nederlandse Mustang jachtvlieger. Een inzittende van zijn auto werd daarbij gedood.

Hatta had blijkens het verslag van de VN-Commissie van Goede Diensten die ochtend de commissie-voorzitter Thomans Critchley in Kaliurang verteld van de luchtlanding van de Nederlanders bij Maguwo. Met het verzoek de Veiligheidsraad in te lichten, wat meteen gebeurde. Voor zijn vertrek heeft Hatta Masdoelhak Nasoetion kennelijk opdracht gegeven om in Kaliurang te blijven en regeringsdocumenten te vernietigen.

Tigor herinnert zich dat tegen het eind van de middag een Nederlands verkenningsvliegtuig overvloog. „Toen nam mijn vader ons drieën bij zich in een tussenruimte en hij las voor uit De avonturen van Tante Pollewop van Godfried Bomans. Buiten was het niet veilig, er werd geschoten.”

Mijn vader lag op de grond. Ik zie nog dat hij mij in de ogen staarde

Tigor Nasoetion zoon

De Excessennota meldt inderdaad dat een Nederlandse soldaat op maandag 20 december „onder het oog” van een lid van de Commissie van Goede Diensten „een ongewapende jongen neerschoot”.

Het militaire ‘actieverslag van de bezetting van […] Kalioerang’ vermeldt dat om drie uur ’s middags begonnen wordt aan de „zuivering” van het dorp. „Direct contact gezocht met de C.G.D. (Commissie van Goede Diensten, red.) die order kreeg in de huizen te blijven tot er wagens kwamen om de Commissie naar Djocja te brengen.” De diplomaten krijgen dus huisarrest en hetzelfde geldt voor de leden van de Republikeinse delegatie die nog in het dorp zijn. De Nederlandse militairen willen geen pottenkijkers tijdens de „zuivering”.

Masdoelhak Nasoetion met zijn vrouw Adriana Nasoetion-Van der Have.

In een brief aan haar vriendin in Nederland schrijft Adriana dat „Masdoel die 21ste december helemaal niet vervoerd had moeten worden. Maar de 22ste gelijk met de Commissie van Goede Diensten en de Indonesische delegatie”. En: „Masdoel zat die maandag dan ook heel rustig thuis te wachten tot hij gehaald zou worden.”

Tijdens een gesprek twee jaar eerder met het oudste kind van Adriana en Masdoel, Soeloeng (roepnaam Sinar), die met zijn vrouw in Duitsland woont bij zijn kinderen en kleinkinderen, had ik al gehoord dat Masdoelhak met veel geweld uit zijn woning werd gesleurd. Sinar: „Mijn vader deed de deur open. Kreeg een geweerkolf in zijn gezicht. Daar sta je dan. En je vraagt je af wat er eigenlijk gebeurt. Maar er gebeurde niet veel. Kasten werden omgegooid. Laden werden uitgetrokken. En toen gingen ze weg en namen onze vader mee. Mijn vader zei nog: ‘Let goed op je moeder, let goed op je broertjes.’ Het is het laatste wat hij ooit tegen me gezegd heeft.” Sinar, die juist zijn best deed onbewogen te blijven, stonden de tranen in de ogen. Zijn moeder schreef al in 1949 aan haar vriendin Tono: „Sinar, Tigor en Paroehoem liggen ’s nachts te huilen om hun vader en ik, ik kan ze niet troosten. […] Gelukkig zien de kinderen in het donker mijn tranen niet. Sinar is het ergste, omdat hij begrijpt.”

Tigor bevestigt: „Dat is altijd heel zwaar voor hem geweest.” Hij vertelt wat hij gezien heeft. „Mijn vader werd voor de deur geschopt. En hij lag op de grond. En ik zie nog dat hij mij in de ogen staarde. Maar ik begreep toen niet wat er gebeurde.”

Tigor herinnert zich dat hij met zijn broertjes door de commando’s is ondervraagd. „We moesten een liedje zingen van die militairen. Paroehoem verdomde het om te zingen. Sinar zong ‘In een groen, groen knollenknollenland’.”

Tigor denkt meegewerkt te hebben aan het noodlot van zijn vader. „Sinar wilde niks zeggen. Hij kreeg klappen links en rechts in zijn gezicht, maar hij zei niks. Paroehoem was te jong. Mij vragen ze: „Wat is je vader?” Ik was trots op mijn vader. Dus ik zei: „Mijn vader is kolonel”. Ze hadden namelijk de kolonelsepauletten van mijn vader gevonden. En ze hadden het ontvangstbewijs van een geweer gevonden. Maar mijn vader was alleen titulair kolonel, als rechter van het Hoog Militair Gerechtshof in Bukittinggi, Sumatra. Dat geweer gebruikte hij om te jagen op de Merapi met Sinar.”

 

Vergismoord

Werd Nasoetion geëxecuteerd omdat luitenant De Mey dacht kolonel Abdul Harris Nasoetion in handen te hebben, de opperbevelhebber van de Siliwangi-divisie? Was het kortom een vergismoord? Dat was wat de Commissie-Van Rij en Stam aannemelijk lijkt, die op last van de Nederlandse regering in 1949 ter plekke onderzoek deed naar „beweerde excessen door Nederlandse militairen”. Aan het slot van de verklaring waarin sergeant-majoor Geelhoed onder meer zegt dat hij Nasoetion heeft vermoord („Ik heb hem toen doodgeschoten”) zegt Geelhoed ook: „Ik stond op het standpunt dat een gegeven bevel moet worden opgevolgd. Achteraf heeft men mij medegedeeld, dat Nasoetion de bekende kolonel Nasoetion was.” Ook auditeur-militair De Bonn die in april 1949 het strafrechtelijk onderzoek deed in deze zaak gaat hier vanuit: „Vermoedelijk hebben de Nederlandse militairen te Kalioerang Nasoetion aangezien voor de bekende T.N.I. officier Nasoetion”.

Persoonsverwisseling is natuurlijk mogelijk. Maar als Abdul Harris Nasoetion zo bekend was, zoals steeds wordt gesteld in de processen verbaal, is dat dan ook waarschijnlijk?

Historicus Sri Margana, hoogleraar aan de Universitas Gadjah Mada (UGM) in Yogyakarta, is hier kort over. „Het is een stom excuus.”

Margana is sleutelfiguur voor het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (KITLV). Dit doet samen met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) hernieuwd onderzoek naar structureel gewelddadig optreden door Nederlandse militairen tijdens de Indonesië-oorlog. Margana coördineert de Indonesische kant van het onderzoek.

Over de moord op Nasoetion zegt Margana dat het nog steeds de grote vraag is waarom hij is gedood. „Alle anderen van zijn rang en hoger werden gevangengenomen en verbannen naar het eiland Bangka.” Een persoonsverwisseling lijkt Margana uitgesloten. „Beide mannen leken in het geheel niet op elkaar. De gewone soldaten zouden zo’n fout hebben kunnen maken. Maar Geelhoed zegt dat hij handelde in opdracht van zijn bevelvoerend officier. Die wist waarschijnlijk zeer goed dat het hier ging om een regeringssecretaris en niet om de vigerende legerleider van het nationale leger (TNI).”

De Leidse historicus Jaap de Moor besteedde eerder in Westerling’s oorlog (1999), zijn monografie over het optreden van de omstreden kapitein Raymond Westerling, berucht wegens zijn ‘pacificatie’ van Zuid-Sulawesi, aandacht aan de moordpartij bij Kaliurang. Overigens, De Mey en diens manschappen stonden tot kort voor Operatie Kraai onder bevel van Westerling.

De Moor komt tot de slotsom dat Geelhoed „alle gelegenheid kreeg zijn agressieve impulsen op die Indonesische gevangenen te botvieren”. Luitenant De Mey valt naar de visie van De Moor alleen te verwijten dat hij de militaire discipline niet strikt heeft gehandhaafd.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Waarom moest Masdoel dood?

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.

Maar is dat ook geloofwaardig? In het televisieprogramma Andere Tijden in januari 2007 over de Speciale Troepen van Raymond Westerling verscheen veteraan Peter van Haalem. Een kortademige oudere man met een bril en een batikhemd. Hij was degene die schoot op Dirdjoatmodjo en Kiemas. En hij doodde Soemarsono, en de onbekend gebleven Javaan. En daarna was hij het die de lichamen verbrandde met zijn vlammenwerper.

Van Haalem vertelt met Amsterdamse tongval vooral over de operaties in Zuid-Sulawesi, twee jaar voor Operatie Kraai. Maar steeds is duidelijk: militairen van zijn rang handelden strikt op bevel. Achteraf is hij boos over de reactie in Nederland. „Ik was een moordenaar. Daar werd je voor uitgescholden.”

Ook historicus Margana wijst de gedachte dat Geelhoed op eigen houtje handelde van de hand. Het duo De Mey en Geelhoed loopt vaker door het beeld bij excessief geweld. Bijvoorbeeld, twee dagen voor de moordpartij bij Kaliurang, schiet Geelhoed na het innemen van de luchthaven Maguwo in aanwezigheid van De Mey zeven burgers neer. Onder deze slachtoffers ook weer twee leden uit de staf van Hatta.

De andere slachtoffers in Kaliurang zijn afgezien van de onbekende Javaanse oppasser niet geheel onbelangrijk. Tje Kiemas is majoor, Dirdjoatmodjo is Hoofd Boswezen en Soemarsono is ambtenaar bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. De Chicago Tribune meldt in februari 1949 dat de VN onderzoek doet naar de verdwijning van Nasoetion. In een adem noemt het bericht ook Soemarsono en de directeur postzaken Suharto: net als Nasoetion bij zijn arrestatie mishandeld en daarna verdwenen.

Margana vindt het „niet logisch” dat de Nederlandse militairen Nasoetion zouden ombrengen als ze dachten dat hij de commandant was van de Siliwangi-divisie. Bovendien: waarom dan ook die vier anderen doden? „De enige logische verklaring is: terreur. Een boodschap van de Nederlandse staat aan de topambtenaren aan de Republikeinse kant dat zij niet veilig waren.” Ook de dood van de onbekende oppasser wordt door deze theorie verklaard: het was een waarschuwing aan het adres van zijn baas, minister Soekirman.

Plattegrond van Kaliurang (Kalioerang), ondertekend door ‘schoolmeester’ E.J. van de Beek op 28 augustus 1940. Omcirkeld: de plek waar Nederlandse militairen op 21 december 1948 Masdoelhak Nasoetion en twee anderen ombrachten.

 

Bamboesperen

Uit het „actieverslag” van de operatie in Kaliurang valt op te maken dat het doden van Nasoetion en zijn groepje geheim moet blijven. Nauwkeurig is wel vermeld dat op 20 december onderweg bij het ene gehucht tien mensen worden „opgeruimd” en dat bij een ander dorp plusminus zestig mensen die met bamboesperen op de militairen afkomen, worden gedood. Maar in het dagrapport van 21 december wordt de dodelijke „kippenjacht” niet gemeld. Er staat dat om 9.00 uur „een sectie [wordt] uitgestuurd om rijst bijeen te zoeken”. Om 11:00 uur staat er: „Patrouille keert terug zonder rijst.” Het verhaal van de ‘kippenjacht’ lijkt achteraf verzonnen.

Het is aannemelijk dat het hier gaat om de sectie onder leiding van Geelhoed. Maar het doden van ongewapende burgers die geen directe bedreiging vormen voor de troepen blijft buiten de officiële verslaglegging. Hetzelfde zal gelden voor een mogelijk bevel om ambtenaren van de Republiek „op te ruimen”.

Deze dubbele moraal – sommige doden meld je wel, andere beter niet – heerst tot op het allerhoogste niveau.

In de „dagorder” waarmee legercommandant generaal Simon Spoor op 18 december het bevel geeft een einde te maken aan de republiek Indonesië („Op U wordt een beroep gedaan de laatste acte te voltrekken [..]”) bedekt hij het geweld onder een deken van christelijke naastenliefde. „Beseft, dat Gij geen krijgsvolk zijt, doch brengers van recht en veiligheid”. Ook verwijst hij naar de ‘kerstgedachte’: „Hoewel thans zoveel van u wordt gevergd, weet ik dat u momenten zult vinden waarin uw hart en uw gedachten zich toch op uw ouderlijk huis, uw gezin, uw dierbaren zullen richten. Daarom kan ik u vragen ook nu de kerstgedachte hoog te houden.”

Ondertussen is duidelijk dat de Nederlandse regering in Den Haag in het zicht van kerstmis feiten op de grond wil creëren die bestand zijn tegen een te verwachten interventie van de Veiligheidsraad. Op 19 december, de dag dat de aanval tegen de republiek wordt ingezet, schrijft minister Maan Sassen (Overzeese Gebiedsdelen, KVP) aan de hoge vertegenwoordiger van de Kroon in Jakarta, oud-premier Louis Beel (KVP), dat hij ervoor moet zorgen dat „een eventuele resolutie van de Veiligheidsraad tot herstel van de oorspronkelijke toestand practisch onuitvoerbaar wordt”.

Kennelijk leeft het kabinet in de veronderstelling dat zij het offensief in Indonesië geheim kunnen houden. Zo schrijven de ministers Dirk Stikker (Buitenlandse Zaken, VVD) en Sassen dezelfde dag nog aan Beel: „In publiciteit ware alles te vermijden wat associaties oproept aan een ‘veldtocht’.”

Beel antwoordt zijn oud-collega’s gepikeerd dat ze zich er niet mee moeten bemoeien. „Het is volstrekt onmogelijk de bezetting van Djokja geheim te houden.” Over het doel van het offensief is Beel in een telegram een dag later aan Sassen glashelder: „Onze actie maakt aan de Republiek als zodanig een einde.”


 

‘Begin van de nederlaag’

‘Terreur komt nogal veel voor,” zegt generaal Abdul Haris Nasoetion – de ‘echte’, die tijdens de oorlog tegen Nederland commandant was van de Siliwangi-divisie – in 1976 tegen Roelof Kiers in de VPRO-documentaire Indonesia Merdeka. De Nederlanders zetten terreur in tegen de Indonesische bevolking, zegt hij.

Wat sinds het proefschrift van Rémy Limpach, De brandende kampongs van generaal Spoor (2016), „structureel geweld” wordt genoemd ter vervanging van het eufemisme van de „excessen”, heet in Indonesië al heel lang „terreur”.

Nasoetion had daar overigens begrip voor, in 1976: „Ik maakte hetzelfde mee tijdens onze eigen anti-guerrilla activiteiten op verschillende eilanden. Je kunt aanvoelen als militair, dat als je wekenlang of maandenlang in een streek zit waar iedereen vijandig is, je je soms niet kunt beheersen. Maar aan de andere kant is terreur juist het begin van de nederlaag. Want als troepen terreur gaan uitoefenen is het moreel niet hoog. En dan krijg je het volk helemaal aan de andere zijde. Wij hadden er ook op gerekend, toen. Het stond in mijn instructies: ‘ze zullen met terreur werken’. Maar voor ons is dat voordelig want dan komt het volk helemaal naar onze kant.”

Lees ook: Hoe een weduwe de Nederlandse staat deed buigen

Dat is wat dan ook gebeurde na het offensief van Operatie Kraai. In plaats van de Republiek te vernietigen, wat het doel was van de regering in Den Haag, van Beel en van generaal Spoor, bezegelde en versnelde het offensief mogelijk zelfs het einde van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië. Nederland verliest de steun van de VS, die dreigen de Marshallhulp stop te zetten. In Den Haag treden voorstanders aan van een snelle afwikkeling van de Indonesische kwestie. Sassen treedt in februari 1949 af en Beel ruimt in mei dat jaar het veld.

Opmerkelijk blijft dat geen Nederlandse militair na 1950 is veroordeeld wegens mogelijke mensenrechtenschendingen tijdens de Indonesiëoorlog. Integendeel: Geelhoed ontving zelfs een Bronzen Leeuw, na de Willemsorde de hoogste militaire onderscheiding, voor zijn optreden tijdens Operatie Kraai. Op hoog niveau is na de soevereiniteitsoverdracht nog wel nagedacht over de vervolging van kapitein Westerling, die behalve in Sulawesi, ook nog in 1950 betrokken was bij een poging tot staatsgreep in Bandung. Maar het idee werd al snel terzijde geschoven. De vrees was dat vervolging van militairen uiteindelijk zou leiden tot vragen naar de rol die politiek verantwoordelijken dan gespeeld zouden hebben.

Topambtenaar Guus Belinfante concludeert in 1954 in een advies aan de minister van Justitie over de mogelijke vervolging van Westerling dat diens noodrecht of standrecht „iedere wettelijke grondslag” miste. Ook al was dat optreden van Westerling „en zijn navolgers” gedekt door „gezaghebbende autoriteiten”. Daarbij doelde Belinfante op militaire autoriteiten maar ook op politieke. Zijn slotsom: „Bij deze strafvervolgingen zal men er niet aan kunnen ontkomen de rol, die de civiele autoriteiten gespeeld hebben vast te stellen. [...] dit zal wel niet tot strafvervolging kunnen leiden, doch moet men er rekening mee houden, dat de namen van de betrokken civiele autoriteiten niet buiten de openbaarheid zullen kunnen blijven.” Het kabinet besloot daarna tot een doofpot. En 15 laar later, na het verschijnen van de Excessennota, kwam er in 1969 in de wet die verjaring voor oorlogsmisdaden afschafte een uitzondering voor de daden gepleegd door Nederlandse militairen in Indonesië.

Lees ook: dit interview met de zoon van Masdoelhak Nasoetion

 

Graf

Om acht uur ’s ochtends staat pak Ris Mulyono in een wit shirt op het terras van hostel Vogels. Een oudere man met klassieke Javaanse peci, zo’n zwart kalotje, op zijn hoofd. Een dag eerder heeft hij bij een lunch verteld dat hij zijn hele leven al vlak voorbij de bocht richting Pakem woont. En dat hij kan bevestigen wat daar bij de rand van het ravijn is gebeurd. En dat hij me daar nog iets wil laten zien. „De meeste jonge mensen weten nu niet meer wat zich daar heeft afgespeeld. Ik ben 68, dus ik heb het zelf ook niet zien gebeuren. Maar ik heb altijd van de generatie boven mij gehoord dat Nederlanders daar Indonesiërs hebben doodgeschoten.”

De meeste jonge mensen weten nu niet meer wat zich daar heeft afgespeeld

Ris Mulyono buurtbewoner

Pak Ris heeft een witte Toyota, met een half uitgedeukte achterkant, maar verder redelijk nieuw. We rijden weer de berg af. Tot de bocht. Rechts van het glibberige pad naar de plek waar de moorden zijn gebeurd ligt een begraafplaats. Een hoog veld voor de pribumi, de eigen mensen, zegt pak Ris. En een lager veld voor mensen van buiten het dorp. In een uiterst hoekje daarvan wijst hij me op een grafteken, bijna overgroeid, van zwart vermolmd hout. Zonder naam.

Pak Ris vertelt dat hier, volgens de overlevering, de man ligt die net als Soemarsono en Nasoetion door de Nederlanders dood werd achtergelaten. Niemand wist wie hij was dus is hij hier op het veldje voor vreemden terechtgekomen. Dit graf met het lichaam van deze door geweld omgebrachte man, boezemt omwonenden volgens pak Ris nog altijd een heilige vrees in voor diens rusteloze ziel.

Met dank aan Aad Dirkzwager

Correctie 20 januari 2020: In de intro en in het stuk stond aanvankelijk dat Nederlandse militairen nooit zijn vervolgd wegens oorlogsmisdaden. Dat is aangepast. Bedoeld was: sinds de soevereiniteitsoverdracht.