Voor het eerst meer dan 9 miljoen werkenden

Nog nooit waren er zo veel mensen aan het werk als nu. In alle beroepsgroepen is er sprake van een daling van het aantal werklozen.
Stratenmakers aan het werk in Rotterdam.
Stratenmakers aan het werk in Rotterdam. Foto Robin Utrecht/ANP

Het aantal mensen met een betaalde baan was nog nooit zo groot als nu, blijkt donderdag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Meer dan 9 miljoen mensen in Nederland hebben werk. De arbeidsparticipatie is in vijftig jaar niet zo hoog geweest: 69 procent van de Nederlanders tussen de 15 en 75 jaar is aan het werk.

Dat zo veel mensen werken komt doordat het de afgelopen jaren heel goed is gegaan met de Nederlandse economie, zegt Peter Hein van Mulligen van het CBS. „Er zijn veel vacatures, waardoor mensen die voorheen werkloos waren nu toch een baan vinden. Sinds begin 2014 zijn er bijna een miljoen banen bijgekomen”, zegt de CBS-hoofdeconoom. Of de stijging blijft doorzetten, is volgens Van Mulligen nog niet duidelijk. „Als het tempo van de economische groei weer afneemt, zal ook de werkgelegenheid weer afvlakken.”

Lange doorwerken

Verder is ook aan de aanbodkant een toename: mensen blijven langer doorwerken. Verder nemen de verschillen tussen mannen en vrouwen af, zegt Van Mulligen. Meer vrouwen zijn aan het werk en het aantal werkloze mannen en vrouwen loopt steeds minder uiteen. Vrouwen werken nog wel vaker in deeltijd.

De laatste drie maanden van 2019 daalde het aantal werklozen maandelijks gemiddeld met 7.000 mensen tot 302.000 in december. In 2019 was het werkloosheidspercentage 3,4 procent van de totale beroepsbevolking. Over heel 2018 was dit 3,8 procent. Het CBS definieert werklozen als mensen tussen de 15 en 75 jaar die geen betaalde baan hebben, recentelijk naar werk hebben gezocht en daar direct beschikbaar voor zijn.

In alle beroepsgroepen was sprake van een afname van het aantal werklozen, meldt het CBS. De grootste daling vond plaats bij agrarische beroepen (21 procent), zorg- en welzijnsberoepen (19,1 procent) en pedagogische beroepen (18,2 procent).