Reportage

Jeugd en pleintjesvoetballers zijn de hoop van het Nederlandse futsal

Zaalvoetbal Nederland organiseert in 2022 het EK Futsal. Het toernooi moet zaalvoetbal populairder maken. De sleutel tot succes ligt bij Oranje, nu nog een Europese middenmoter.

Afgelopen zondag oefenden de nationale zaalvoetbalteams van Nederland en België tegen elkaar in de sporthal de Hoornse Vaart in Alkmaar. Op de foto boven: Oranje-international Jordany Martinus vuurt op het Belgische doel.
Afgelopen zondag oefenden de nationale zaalvoetbalteams van Nederland en België tegen elkaar in de sporthal de Hoornse Vaart in Alkmaar. Op de foto boven: Oranje-international Jordany Martinus vuurt op het Belgische doel. Foto’s Olaf Kraak

Kippenvel kreeg hij toen in september bekend werd dat de UEFA de organisatie van het Europees kampioenschap Futsal 2022 had toegewezen aan Nederland. Max Tjaden heeft zijn leven gewijd aan zaalvoetbal. Hij speelde zelf 78 keer voor de Nederlandse ploeg, hij was vijf jaar assistent-bondscoach en is sinds 2016 eindverantwoordelijk voor Oranje. Naast het bondscoachschap – „28 uur per week houd ik me bezig met alle nationale teams” – verzorgt Tjaden voor de KNVB Academie opleiding en bijscholing van zaalvoetbaltrainers en -coaches. Het EK in eigen land moet het hoogtepunt worden in zijn carrière.

De laatste keer dat Nederland deelnam aan het Europese titeltoernooi was in 2014. Destijds werd in de poulefase kansloos verloren van Rusland (7-0) en Portugal (5-1), wereldtoppers in het zaalvoetbal. Oranje is een Europese middenmoter die zich niet wist te plaatsen voor het wereldkampioenschap, later dit jaar in Litouwen. De kwalificatiegroep met Kazachstan, Roemenië en Albanië was het eindstation.

Nummer zestien

Als organiserend land is de Nederlandse ploeg er in januari 2022 zeker bij op het grootste EK ooit, met zestien deelnemers en 32 wedstrijden in Amsterdam (Ziggo Dome) en Groningen (MartiniPlaza).

De kans bestaat dat het Nederlands team een figurant op het eigen feest wordt, maar daar is bondscoach Tjaden (48) niet bang voor. „Wij zijn de nummer zestien van Europa, dus het gat is niet zo groot. Met de vaardigheden van de spelers zit het wel goed, ze moeten alleen veel fitter worden.”

Conditie lijkt Nederland geen parten te spelen in de oefenwedstrijd tegen België, afgelopen zondag in Alkmaar. Door twee late treffers wordt een 3-1 achterstand goedgemaakt, en de lat voorkomt de derde oefenzege van dit jaar. Begin januari won Nederland twee keer in Denemarken. Maar de Belgen en de Denen zijn geen grootmachten in de zaal, beseft de Nederlandse international Mohamed Attaibi. „We moeten nog heel veel meters maken de komende twee jaar”, zegt hij.

De 32-jarige Attaibi is een van de blikvangers van het Nederlands zaalvoetbalteam. Hij speelt de hoofdrol in de promotievideo die de KNVB liet maken om het EK-bid te ondersteunen.

De Nederlandse ploeg wordt voorgesteld aan het publiek, voor de wedstrijd tegen België. Foto Olaf Kraak

Gevraagd naar de status van het zaalvoetbal in Nederland merkt Attaibi op dat veel mensen het nog als „een cafésport” zien. Hijzelf traint, naast zijn marketingbaan bij de KNVB, twee keer in de week met zijn club FC Marlène in Heerhugowaard en een paar keer voor zichzelf. „Maar dat is toch anders dan een specifieke zaalvoetbaltraining op hoog niveau.”

De Europese zaalvoetbaltop bestaat uit fullprofs die spelen bij clubs in Oost-Europa, Italië, Portugal, Spanje of Frankrijk. De eredivisie is „een amateurcompetitie”, zegt hij. En geen van de internationals die tegen België „voor een onkostenvergoeding” in actie komen, speelt in het buitenland.

Attaibi droomde vroeger van een carrière als profvoetballer, op het veld, maar hij kreeg op zijn dertiende van Ajax te horen dat hij niet goed genoeg was. Bij Almere City en AGOVV in Apeldoorn kwam hij ook niet veel verder. Toen hij ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam, koos Attaibi voor de zaal. „Ik zat toen in Jong Oranje, dus de keus was niet zo moeilijk. Liever een zaalvoetballer met een interlandcarrière dan een anonieme amateur op het veld.”

Het hielp dat Attaibi in zijn jeugd al veel voetbalde in de zaal, en ook op straat, want een goede zaalvoetballer word je niet zomaar, zegt hij. „Het is een compleet andere sport, met een andere bal, andere regels, ander schoeisel.”

De wedstrijd tegen België laat zien dat zaalvoetbal vooral twee keer 25 minuten loeren is op een gaatje in de verdediging, de hoogstandjes zijn schaars. „Speelsheid hoort er gelukkig nog wel bij, maar zaalvoetbal is een collectief spel”, zegt Attaibi. „Een doelpunt voelt ook vaak van iedereen, daar oefenen we veel op tijdens de trainingen.”

Nederland-België in Alkmaar, afgelopen zondag. Foto Olaf Kraak

In de lange voorbereiding op het EK in Nederland zal er meer én beter moeten worden getraind, en dat gaat ook gebeuren als het aan de bondscoach ligt. „Het liefst heb ik de internationals twee dagen per week tot mijn beschikking”, zegt Tjaden. „En ik wil het aantal interlands per jaar opschroeven naar zestien of achttien. Nu spelen we er gemiddeld twaalf. Maar daar is geld voor nodig.” Of dat er komt, hoort hij snel. Deze maand nog presenteert Tjaden zijn voorbereidingsplannen aan de directie van de KNVB.

Populariseren

Tjaden wil stunten over twee jaar („een plaats bij de laatste acht zou een topprestatie zijn”), want het EK is naar Nederland gehaald om het zaalvoetbal te populariseren, en een goede prestatie van Oranje kan daar aan bijdragen. Hij maakt de vergelijking met het laatste grote internationale voetbalevenement dat in Nederland werd georganiseerd: het EK van 2017. De Oranje-vrouwen werden Europees kampioen en de tribunes zaten vol met supporters die niet wekelijks in een voetbalstadion komen. Tjaden: „Ook ons EK moet laagdrempelig zijn. De kaartjes niet te duur, zodat hele families kunnen komen kijken.”

International Attaibi houdt zich bij de KNVB al bezig met de „legacy” van het EK. Hij ziet kansen bij de jeugd. „In het veldvoetbal is een grote uitstroom van spelers tussen de twaalf en achttien jaar. Veel kinderen komen daar niet tot hun recht. Voor hen kan zaalvoetbal een alternatief zijn.” Tjaden zou graag zien dat de „urban doelgroep” de zaal ingaat. „Maar dan moeten er wel clubs zijn die deze pleintjesvoetballers wekelijks een training en een wedstrijd kunnen aanbieden op een fatsoenlijk tijdstip. Dat wordt in Nederland een uitdaging.”