Beeld uit ‘Ce que le jour doit à la nuit’ van choreograaf Herve Koubi

Foto Nathalie STERNALSKI

Interview

‘In deze dans zit onze gezamenlijke geschiedenis’

Holland Dance festival Dans is het medicijn waarmee choreograaf Hervé Koubi, afgestudeerd in de farmacologie, zijn eigen boosheid en bekrompen identitair denken te lijf gaat in Ce que le jour doit à la nuit.

‘Wie is dat apothekertje dat denkt dat hij kan dansen, choreograferen zelfs?” Zo wordt er, zegt Hervé Koubi (43), over hem gedacht in de Franse danswereld. Want laat hij nou de pech hebben dat hij, om zijn ouders te plezieren, keurig netjes zijn studie farmacologie heeft afgemaakt. Bovendien maakt hij dans waar veel Franse dansprofessionals geen raad mee weten: is het neo-klassiek, is het urban of pop, is het überhaupt wel dans en niet veeleer circus, met al dat gebuitel, die atletische virtuositeit?

Want virtuoos ís Ce que le jour doit à la nuit, de voorstelling waarmee Koubi en zijn twaalfkoppige ensemble in het Holland Dance Festival staat. De mannen, in lange witte rokken over hun witte culottes, klimmen op en over elkaar, maken salto’s en storten zich blind achterover, in de armen van hun collega’s. Ze draaien rond op één arm of tollen eindeloos op hun hoofd, als derwisjen die op hun kop zijn gezet. Maar er zijn ook momenten van verstilde, vanzelfsprekende kameraadschap en spiritualiteit gevoed door sacrale muziek uit de Oriënt en het Westen.

Net als bijvoorbeeld Sidi Larbi Cherkaoui verenigt Koubi die twee werelden in zich. Maar anders dan zijn Vlaams-Marokkaanse collega werd hij zich daarvan pas bewust op zijn 25ste. Zijn ouders hadden hem wel verteld dat zij in Algerije hadden gewoond, maar niet dat zij 100 procent Algerijns waren, moeder van moslimhuize, vader van joodse komaf. Eenmaal in Frankrijk wilden zij zo Frans mogelijk zijn. Moeder Safia doopte zichzelf in haar nieuwe thuisland om tot nota bene Colette en de in Frankrijk geboren zoon kreeg een typisch Franse voornaam, Hervé. Een verscheurde jeugd, zoals veel jonge Fransen met Algerijnse wortels, heeft hij niet gehad. „En dan heb ik ook nog een lichte huid en lichte ogen”, zegt hij grimlachend tijdens een videogesprek vanuit Frankrijk.

Zelf vermoedt hij dat zijn achtergrond én het feit dat hij – artistiek, cultureel, religieus – niet op één identiteit kan worden vastgepind hem in dit tijdperk van ‘diversiteit en inclusiviteit’ vreemd genoeg eerder in de weg zit dan helpt. Het lijkt erop, zegt hij, dat hij van alles nét te weinig is om door de diverse groepen en instanties voor vol te worden aangezien. Substantiële steun van de nationale overheid ontvangt hij niet („Alsof ze niet weten aan welke Hervé Koubi ze geld moeten geven”). Overigens wél van regionale en lokale overheden. „Ik heb in New York, Rome, Madrid en Australië gestaan, naast grote namen als Akram Khan en Alain Platel, maar in Frankrijk in de twintig jaar dat mijn gezelschap bestaat nog nóóit in Parijs, Lyon of Marseille, alleen in kleinere steden. Ook mooie theaters, maar toch.” Een tikje ironisch dus dat Compagnie Hervé Koubi tijdens Holland Dance Festival in Delft staat, en niet in een van de grotere Nederlandse theaters.

Boos

Die – relatieve – miskenning in eigen land maakt hem nog steeds boos. „Maar inderdaad”, lacht hij, „dans is mijn medicijn. Dat is dan weer het voordeel van een studie farmacologie.”

Tien jaar lang heeft hij in Brive-La-Gaillarde, waar Compagnie Hervé Koubi is gevestigd, gewerkt aan een manier om al zijn identiteiten tot een hybride eenheid te smeden. Ce que le jour doit à la nuit is daarvan de culminatie. In onderbroken repetitieperiodes werkte Koubi drie jaar aan het stuk, samen met twaalf Algerijnse, autodidacte straatdansers. „Mijn hervonden broeders”, noemt hij hen. „Het zijn dansers van de straat, maar ik heb ze behandeld als conservatoriumdansers. Ze zijn in staat gebleken een specifieke techniek te ontwikkelen, een hybride vorm. Voor mij was het belangrijk dat het geen ‘popstuk’ zou worden. Maar ik wilde óók hun atletische vermogen tot zijn recht laten komen.”

Sinds de première in 2013 heeft de groep het stuk wereldwijd ruim 400 keer gepresenteerd en zijn er diverse castwisselingen geweest. Momenteel bestaat de groep uit Algerijnse, Marokkaanse, Palestijnse en Israëlische dansers. „En het lijstje groeit, dat is fijn. De hele geografie van het Middellandse Zeebekken is bijeen in deze groep. We dansen onze gezamenlijke geschiedenis van duizenden jaren.”

Aanvankelijk voelde hij aarzeling om het land van zijn voorouders te bezoeken. „Ik kende niemand, sprak geen Arabisch en mijn ouders wilden niet mee.” Uiteindelijk ging hij. Niet op zoek naar zijn identiteit, benadrukt hij, maar om zich te informeren over zijn herkomst. Ook begon hij te lezen over de geschiedenis van Frankrijk, Algerije en de Magreb, het hele Middellandse Zeegebied. Een ware ontdekking, die hem de laatste tien jaar heeft geïnspireerd tot een serie voorstellingen, waaronder Ce que le jour..., over de mediterrane regio.

„Wat ik niet wist, is dat er altijd al, van zuid naar noord en omgekeerd, over de Méditerranée is gereisd. Op de vlucht voor oorlog en ellende hebben mensen de overtocht gemaakt. Genetisch is het hele Middellandse Zeebekken een mengelmoesje. Die verwantschap gaat verder terug dan de geschiedenis van onze naties. Dat heeft me getroffen. We verschillen niet zoveel van elkaar. We moeten het vandaag meer over onze verwantschap hebben. Als je de transmediterrane migratie zo beziet, kun je dat met meer sereniteit doen. Die twee zijden van de Méditerranée horen bij elkaar.”

Meteen nuanceert hij zijn positieve visie – hij wil de zaak niet simplistisch voorstellen en is zich ervan bewust dat die gedeelde geschiedenis en verwantschap grotendeels onbekend is, zeker aan de overzijde van de Middellandse Zee. „In de Magreb wordt niet of nauwelijks onderwezen dat het daar in vroeger tijden een veel diverser cultuur was, met naast moslims veel joden, christenen, mensen met heidense of animalistische riten. Tegenwoordig zien jongeren alleen nog moslims. Dat kan gevaarlijk zijn. Opgroeien met het idee dat de islam de enige religie is, vergroot het risico op extremisme.”

Koubi zet daar zijn boodschap van broederschap tegenover. Dat is voor hem ook de betekenis van de titel Ce que le jour doit à la nuit. Hij mocht die titel gebruiken van bestsellerauteur Yasmina Khadra (pseudoniem van Mohammed Moulessehoul), maar volgt het verhaal van de gelijknamige roman niet. Koubi’s interpretatie van ‘Wat de dag verschuldigd is aan de nacht’ gaat over het gedeelde erfgoed, over twee culturen die elkaar door de eeuwen heen over en weer hebben beïnvloed. In zijn choreografie smeedt hij een huwelijk tussen de twee kanten van de Méditerrannée. Met, impliciet, een subtiele boodschap voor de Franse dansscene.

„Een van de motieven die je in het stuk zult herkennen is de stijgende spiraal. Voor mij staat die symbool voor het overstijgen van verschillen, maar ook van eng identitair denken.”

Holland Dance Festival, 22/1 t/m 8/2. In Den Haag, Amsterdam, Delft, Tilburg. Inl: holland-dance.com