Foto Frank Ruiter

Interview

‘Heimwee-Groningers, we zien ze steeds meer’

Lunchinterview Peter Breukink (67) beheerde als stichtingsdirecteur bijna honderd dorpskerkjes in Groningen. „Het zijn maar stenen, maar toch kan de schoonheid ervan een geloofsgevoel oproepen.”

Het Hoge Land van Groningen, heet het – en de meeste mensen weten niet wat daar nou precies de aantrekkingskracht van is. Columnist Martin Bril (1959-2009) wist het wel:

„Laatst was ik weer in Groningen, in het noordwesten, bij Zoutkamp. Ik was daar nog nooit geweest, maar ik herkende het land onmiddellijk. Het was koud, op de velden lag een dunne laag sneeuw, grote troepen ganzen hingen in de lucht die stralend blauw was.

Ik bezocht in Wierhuizen, Zuurdijk en Vierhuizen oude kerkhoven, zo oud dat ze al decennia niet meer gebruikt werden en min of meer in het landschap verzonken waren geraakt. (…) De scheefgezakte zerken, de onleesbare namen, het knarsende gietijzeren hekje dat ik bij iedere begraafplaats door moet en dat overal hetzelfde hang- en sluitwerk had, ik werd er blij, maar ook rustig van – een ideale combinatie die volgens mij bijna nergens meer mogelijk is.

De leegte.”

Het boekje uit 2004 waar dit fragment uit komt, Op hoogte gedacht. Beeldende kunst op Groninger Kerkhoven, ligt voor ons op tafel, net als een paar exemplaren van het bulletin Groninger Kerken, allebei uitgaven van de Stichting Oude Groninger Kerken. Verder op tafel: de lunchkaart van Klein Wetsinge, een dorpje van niet veel meer dan tien huizen aan twee straten tussen Sauwerd en Winsum, zo’n 15 kilometer van Groningen ligt het, als je niet uitkijkt heb je de afslag zo gemist.

Peter Breukink (67) en ik zijn er vanuit Groningen naartoe gereden, door precies het soort landschap uit het fragment: kaal en vlak, eindeloos. En ja, leeg vooral.

We hadden elkaar al eens eerder ontmoet. Vorig jaar, toen ‘zijn’ Stichting Oude Groninger Kerken vijftig jaar bestond. Hij had me toen een tas vol informatie meegegeven: het boekje en de bulletins die op tafel liggen, een overzichtskaart, nog een boekje. In één van de exemplaren van Groninger Kerken zie je waarom de stichting indertijd werd opgericht: zwart-wit foto’s van in verval geraakte dorpskerkjes, er zaten gaten in daken en torenspitsen, op een preekstoel een paar duiven.

Heimwee-Groningers, had hij ze bij die gelegenheid genoemd. Mensen die de provincie verlieten, zoals Martin Bril, die er filosofie studeerde, „of mevrouw Tempel, de legendarische weldoener van de stichting” – maar er altijd naar terug bleven verlangen. Toen hij begon als directeur, ruim dertig jaar geleden, maakten ‘heimwee-Groningers’ zo’n 20 procent uit van het aantal donateurs. Nu is dat het dubbele.

Peter Breukink: „Je denkt: hoe is het mogelijk dat mensen die hier al zo lang weg zijn, die hier niks meer hebben, de stichting toch zo royaal… We hebben in het jubileumjaar ook bijeenkomsten buiten de provincie georganiseerd. En daar vertellen mensen mij dan hoe het landschap hen altijd weer raakt, de grote vlaktes, de omgeploegde klei, de hoge luchten – en altijd een kerkje aan de horizon.” Mede dankzij alle donaties, en door veel legaten, heeft de stichting de afgelopen vijftig jaar bijna honderd dorpskerkjes weten te kopen, restaureren en een nieuwe bestemming gegeven.

Handgeschreven bedankbriefjes

Onze nieuwe afspraak is vanwege zijn afscheid, deze maand is hij voor het laatst. En natuurlijk gebruiken we de lunch in een gerestaureerd kerkje: horeca en verhuur voor recepties, voorstellingen en lezingen is een mogelijke herbestemming. Zijn vrouw, zegt hij terwijl we de lunchkaart bekijken, heeft tegen hem gezegd dat hij zich op het gesprek moet voorbereiden: je moet kunnen vertellen waarom je dit werk bent gaan doen. Want hijzelf is, raar eigenlijk, géén Groninger. En op zondag naar de kerk gaat hij ook al niet.

Zijn standaardverhaal, dat hij vorig jaar vertelde: „Ik werkte bij een klein museum, al bijna tien jaar, zat in de trein, vond daar een uit de krant gescheurde vacature, en dacht: ja, het wordt tijd voor wat anders.” Nu heeft hij een andere, uitgebreidere uitleg, die begint bij zijn afkomst. Zijn grootvader, en later zijn vader en twee ooms, waren directeur van een fietsenfabriek, Gazelle in Dieren. Maar toen de fietsenverkoop stagneerde – „iedereen wilde in de jaren zestig liever een auto” – was de familie gedwongen de fabriek te verkopen. Traditie en de waarde van erfgoed, gevolgd door teloorgang, bedoelt hij, kreeg hij van huis uit mee.

En er is nog een verhaal. Toen hij de lerarenopleiding volgde – „geschiedenis, dat zegt ook wel wat” – werd waar hij woonde tegen de zin van de buurt een monumentaal kerkgebouw afgebroken. De sfeer van verzet sprak hem aan, net als een lichte tegendraadsheid: de secularisatie was in volle gang. Later dreigde hetzelfde in zijn geboortedorp, nota bene met de kerk waar hij vanuit huis altijd zicht op had gehad. „Met die afbraak werd mijn dorpsbeeld aangetast, het beeld uit mijn jeugd dat ik koesterde.” Deze keer sloot hij zich aan bij het verzet. En de kerk bleef staan. „Toen leerde ik dat als je bereid bent ergens energie in te steken, en de juiste maatschappelijke snaren weet te raken, je wel degelijk wat kunt bereiken.”

In het exemplaar van Groninger Kerken met de zwart-wit foto’s staat ook een beschrijving van één van de eerste voorzitters: „Hij had een licht aristocratische, aimabele uitstraling en uitstekende banden in het regionale en culturele leven.” Peter Breukink werd directeur in 1987, maar hij heeft dezelfde soort karakteristieken, ze hebben vast te maken met zijn afkomst uit de maatschappelijke ondernemerselite. En ze hebben hem ook vast geholpen bij het groot maken van de stichting, die toen hij werd aangenomen drie betaalde krachten had – nu vijftien – en niet meer dan een stuk of veertig kerken telde.

Je ziet gewoon voor je hoe hij handgeschreven bedankbriefjes stuurde aan ‘mevrouw Tempel’, de heimwee-Groningse die in Den Haag woonde, en die altijd te hulp schoot als de rekeningen weer eens niet konden worden betaald. Eens per jaar nam hij haar mee langs de kerkjes waar dankzij haar bijdragen een keukentje of verwarming was gekomen. Annegiena Cecilia Trijntje Tempel, ze werd 101, liet bij haar overlijden in 2003 36 miljoen na aan de Stichting Oude Groninger Kerken. „Ja, dat was echt een grote verrassing. We hadden wel gedacht dat we iets zouden krijgen, maar dit… ongelooflijk. Het heeft ons werk een enorme impuls gegeven.”

Godsdienstige beleving

Hoe was het dertig jaar geleden, toen hij begon? „De sfeer bij de stichting was in die tijd: wij zijn een seculiere organisatie, we gaan uitsluitend voor de cultuurhistorische kant van het geheel. Dus: restaureren en teruggeven aan het dorp, waar dan een plaatselijke commissie het gebouw gaat beheren.” En met beheren werd bedoeld: openstellen voor hergebruik, maar niet voor kerkdiensten. „Dus mensen zeiden vaak: wij hebben als protestante gemeenschap een paar honderd jaar zorg gedragen voor deze kerk – en dan komt er zo’n stichting en die jaagt ons er uit. Het gaf veel verdriet.”

Hij ging zich afvragen: waarom moet het voor een geloofsgemeenschap eigenlijk altijd een afscheid zijn, hier is de sleutel, vaarwel. „Op een gegeven moment zeiden we tegen elkaar: jongens, waar zijn die gebouwen nou voor neergezet, toch wel voor godsdienstige beleving. Dus waarom geven we een kerkgemeenschap niet de mogelijkheid om terug te huren? In die beginjaren was dat vloeken in de kerk geweest, maar nu gebeurt het dus wel.”

Lees ook: De kerkenwandeling van minister Van Engelshoven

Wat ook veranderde: de beleving van kerken door bezoekers van buiten. „Het zijn maar stenen, maar toch kan de schoonheid van een gebouw een geloofsgevoel oproepen. Ik had het laatst zelf nog, in een kerkje dat we net hebben gerestaureerd. Ik was er helemaal alleen, het was leeg en stil, de zon scheen naar binnen – meer gebeurde er niet. Maar het was zo majestueus, ik kan er nog vol van schieten.” Is hij gelovig? „Ik heb… Dat hebben veel mensen, denk ik… Dat je je geloof transformeert naar de schoonheid van natuur. Of naar cultuur, dus wat literatuur met je doet. Zelf ben ik remonstrants, dat is een combinatie van cultuur, religie en maatschappij, het geeft je de vrijheid om je geloof anders in te kleuren dan via dogma’s.”

Die veranderde beleving staat sinds kort met zoveel woorden in het beleidsplan, waar kerken ‘bakens van betekenis’ worden genoemd. Dat vindt hij, zegt hij, een mooi begrip aan het einde van zijn loopbaan bij de stichting. „Een kerk kan voor mensen een baken van geloof zijn, maar net zo goed een plek waar je tot rust kan komen. Of waar je samenkomt om van een concert te genieten.”

Andere wending

Ook mooi: dat van de bijna honderd kerkjes, tweederde nu van april tot oktober dagelijks open is. „Wij hadden bedacht: vijftig open kerken in ons jubileumjaar. Maar dat moet dan dus worden gedaan door vrijwilligers, daar zijn er bij ons zeshonderd van. Dus toen wij aan de orde stelden dat wij dat graag wilden, hadden we ons voorbereid op reacties als: wie is er verantwoordelijk als het misgaat, want je weet niet wie er binnenkomt, ze maken dingen kapot of ze stelen wat. En wie maakt de boel schoon, want iedereen gaat straks maar naar binnen natuurlijk. Maar wat gebeurde er: van de paar kerken die al open waren, stonden mensen op en die zeiden: we kunnen jullie verzekeren, als je in het gastenboek leest wat voor effect dit heeft, dan wil je juist open. Dat geeft zoveel motivatie, probeer het gewoon.” Toen, zegt hij, „waren ze om”.

Blijft over een onderwerp waar hij vorig jaar ook al geen zin in had, omdat hij er een slecht humeur van krijgt: de gaswinning. Viervijfde van de kerken heeft bevingsschade, soms maar een paar scheuren, soms veel erger. De dag na onze lunch stuurt hij een mail: „Hoe dingen toch plotsklaps een andere wending kunnen nemen…. Er is een principe-afspraak gemaakt over de procedure schadeherstel die we gaan volgen, het is dus toch wat positiever dan ik gisteren deed voorkomen. Maar het moet allemaal nog wel worden uitgewerkt, dat snap je.”