Duurzaam op vakantie? Dat kan best in Noorwegen

groen reizen Hoe ga je duurzamer op vakantie, zonder al te veel aan comfort in te boeten? In Noorwegen kan dat makkelijk, met groene uitjes en lokaal eten.

Het Noorse dorpje Geiranger wordt jaarlijks door miljoenen toeristen bezocht.
Het Noorse dorpje Geiranger wordt jaarlijks door miljoenen toeristen bezocht. Foto Istock

Goed, we gingen met het vliegtuig. Fout nummer één, al hebben we die CO2-uitstoot gecompenseerd. Met de trein en bus had alleen al de heenreis naar het Noorse Ålesund ons 2 dagen en 13 uur gekost.

Mijn vriendin en ik hebben vliegangst noch -schaamte, maar we zijn ons wel steeds bewuster van onze ecologische voetafdruk. Dus eten we nauwelijks nog vlees, hebben we geen auto meer, nemen we groene stroom af. Bewust, maar we zijn geen hardliners. Hoe ga je dan op vakantie? Dat besloten we afgelopen herfst te ontdekken in Noorwegen.

Dat land timmert de laatste jaren hard aan de weg met groene initiatieven – die betaald worden met de opbrengsten uit de olie en het gas waardoor het land sinds 1969 schatrijk geworden is. Oslo was in 2019 ‘European Green Capital’, de hoofdstad doet er veel aan om schoner en leefbaarder te worden, voor inwoners en bezoekers. Groener zijn aan de ene kant, meer toeristen trekken aan de andere, die wensen leiden tot de opkomst van duurzaam toerisme en dat wilden wij meemaken. Duurzaam vakantie vieren, zonder al te veel last te hebben van dat duurzame.

Lees ook: Vliegen of niet? Hoe je een (duurzame) reisruzie aanpakt

Onze vijf dagen Noorse westkust doen we in een elektrische huurauto, een zwarte Nissan Leaf. Elektrisch (of hybride) rijden is hier gebruikelijker dan waar ook ter wereld: meer dan 10 procent van de auto’s rijdt niet op fossiele brandstof, de helft van alle verkochte nieuwe auto’s was in 2019 elektrisch. Die zie je vooral in de verstedelijkte gebieden, want in de dunbevolkte bosgebieden zijn natuurlijk nauwelijks laadpalen te bekennen. Toch was het niet heel gemakkelijk om die auto te krijgen. De huurbranche loopt niet voorop, alleen Hertz heeft een zogenaamde ‘Green Collection’. Duurder was het niet, met een gewone auto waren we in vijf dagen 15 euro meer kwijt geweest. Onze grootste angst, om met een lege batterij langs een fjord komen te staan, lachte de autoverhuurmevrouw weg. Laadpunten te over, vaak ook bij hotels, en als we een beetje rustig zouden rijden, hadden we een bereik van driehonderd kilometer. We installeren een laadpuntenapp: Fortum wordt het, want die is ook in het Engels.

Lokaal eten

Eerste stop is Ålesund, ongeveer 200 kilometer ten noorden van Bergen. In 1904 compleet afgebrand en in drie jaar herrezen, huis voor huis, volgens de Europese bouwmode van toen: art nouveau. De huizen zijn geel, groen, rood, van steen (en dus niet meer van hout), en de gevels hebben sierlijke ornamenten als ogen, uilen en mythologische figuren. Het is een deftig stadje, met een haventje, waar naast oude houten schepen en opzichtige speedboten ook vissersbootjes liggen.

De vissers doen aan directe verkoop – van de zee rechtstreeks via de boodschappentas naar de koekenpan. Korte distributieketen, ook dat is duurzaam, lijkt ons. Bovendien wordt zorgvuldig gecontroleerd of de vissers niet te veel hebben gevangen: een inspecteur neemt met haar telefoon foto’s van de bakken heilbot, haring en krab en telt ze. Een joekel van een kreeft, zo’n vier kilo, ligt in zijn eentje onverkocht te zijn, die gaat straks naar een van de restaurants tegen een vooraf bepaalde bodemprijs.

In de goede restaurants, zoals Apotekergata No. 5 en Bro is het eten vooral van het seizoen en lokaal, vertelden hun sites – dus daar eten we, en lekker ook. Het schaap komt van de boerderij van een vriend van de eigenaar, een dorp verderop. De vis is de zwarte koolvis die de chef vroeger al ving met zijn opa, de honing is gemaakt door de imker die eigenlijk gewoon gymleraar is. En van het dier wordt eigenlijk alles gegeten: vooraf krijgen we Bra, gefrituurde varkenshuid. Het biertje is lokaal en de wijn komt gewoon uit Frankrijk, maar zijn allebei peperduur – alcoholistische Scandinaviërs moeten miljonair zijn of zelf bocht brouwen in hun kelders.

Kun je duurzaam slapen? Op Tripadvisor of Booking.com kun je van alles selecteren, maar deze wens is niet aankruisbaar. In dat groene Noorwegen is het echter bijna de norm, de meeste Noorse hotels gaan verder dan die obligate sticker in de badkamer over de handdoeken. Geen plastic bekers, geen papieren servetten, led-verlichting, zoveel mogelijk biologisch eten, ecologische schoonmaakmiddelen. En in het prachtige Brosundet-hotel staat de sauna niet de hele dag te brullen, die gaat pas aan op verzoek: hun doel is een jaarlijks reductie van 5 procent van het water- en energieverbruik. Bovendien, vertelde de mevrouw van het ontbijtbuffet, gebruiken ze sinds vorig jaar kleinere bordjes. Scheelt een stuk, mensen eten die bordjes ook leeg: minder verspilling. Misschien alleen daardoor was het hotel ook niet (nog) duurder dan een ander hotel. En nee, we boetten ook zeker niet aan comfort in.

In Ålesund beklimmen we CO2-neutraal – te voet – de Aksla, de stadsberg, 413 treden hoog. Kon ook met auto, merkt mijn vriendin een tikje zuur op als we hijgend het cafetaria op de top bereiken en we het uitzicht van besneeuwde bergtoppen, water, eilanden en het stadje bewonderen. Een andere attractie is het zeeaquarium. Ook dit is weer een groen uitje. Want verwacht in Atlanterhavsparken geen gele en paarse tropische verrassingen: die zijn een paar jaar geleden de deur uit gedaan, in de grote bassins zwemmen alleen Noorse vissen. Dieren zijn hier niet ter vermaak, zegt Britt Giske Andersen die over marketing gaat, de dieren moeten zich goed voelen. Ze wijst op het enorme bassin waarin reusachtige palingen, tongen en roggen door elkaar zwemmen. „Neem die heilbot, die is oud en blind. Die zou het niet overleven in zee, maar kan hier rustig leven omdat hij dagelijks met de hand gevoed wordt.” Net als de acht zeehonden. Hun leefgebied heeft de omvang van een klein meer. „In die hoek kunnen ze zich terugtrekken wanneer ze geen zin hebben in mensen.” Hun lunch hoeven ze niet te verdienen met wat trucjes, die krijgen ze gewoon toegeworpen door een man wiens opa een paar eilandjes verderop leefde van de zeehondenjacht. Tijden zijn veranderd.

Geen cruises meer welkom

De dag erop togen we verder landinwaarts, naar de fjorden, blij in de elektrische auto. Stil en snel is die, maar we zijn vooral blij omdat ons EV-kenteken betekent dat we maar half geld hoeven te betalen op de veerboten. Dat scheelt een boel, want in deze regio stikt het van de eilanden, die lang niet allemaal met een tunnel verbonden zijn.

De rit naar de Geiranger-fjord gaat over de Adelaarsweg, een van de mooiste in het land, langs watervallen, de bossen goud, geel en herfstbruin om haarspelbochtend te eindigen in het dorpje Geiranger. Schitterende weg, maar ik heb vooral oog voor het aantal beschikbare kilometers op de teller: bergop zakt het bereik pijlsnel – om dat bergaf tot mijn grote opluchting weer goed te maken.

Geiranger is nu, in oktober, rustig. Er wonen maar tweehonderd mensen, maar het wordt jaarlijks door ruim een miljoen mensen bezocht. Dat is niet van vandaag of gisteren: al rond 1870 legden hier schepen aan. In de zomer komen er nu dagelijks soms wel vijf varende flatgebouwen. Niet lang meer: de fjorden worden zero emissie-zones en vanaf 2026 moeten ze ver van Geiranger aanleggen en de passagiers vervoeren met kleinere, schone bootjes.

In de goede Noorse restaurants is het eten vooral van het seizoen en lokaal, zoals zwarte koolvis. Foto Hollandse Hoogte

Eenmaal aan wal kun je met een Twizy, een elektrische tweezitter, het dorp verkennen, langs de watervallen en de berg oprijden, net als wij die middag, terwijl onze eigen Leaf aan de fast-charger gaat. In twee uur is die weer vol, dat kost 7,50 euro – daar tank je in Noorwegen minder dan vijf liter benzine voor.

Daar komt de veerboot om de hoek van de fjord aanzetten, een paar kilometer verderop. Bepaald geen fluisterboot maar het is dan ook nog geen 2026. En een andere manier om bij het plaatsje Hellesylt te komen is er eigenlijk niet. Auto aan boord en een onwerkelijk mooie tocht door de fjord begint, een uur lang langs bijna loodrechte hellingen waar zowaar hier en daar een, inmiddels verlaten, boerderijtje staat. De lucht is zo schoon dat je verkoudheid spontaan oplost, het water zo helder dat je op de bodem de zeesterren, de krabbetjes en de zee-egels ziet liggen. Een hoogtepunt van een iets duurzamere reis.