Foto: Merlijn Doomernik

Interview

‘Ik werd dertig en merkte dat ik nooit achterom had gekeken’

Niña Weijers Voor haar tweede roman Kamers antikamers is Niña Weijers genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs 2019, de grootste prijs voor jonge schrijvers. „Het leven is eigenlijk een soort tasten in het duister.”

Een jonge man vertelt een verhaal: hij heeft lang gezorgd voor een gehandicapte jongen, die bij geboorte zware hersenbeschadiging had opgelopen, spastisch was en niet kon spreken. Tot er hulp kwam van een letterbord: als een begeleider zijn hand stilhield, kon de jongen de juiste letters aanwijzen. Zo bleek de jongen, die ingeschat was als verstandelijk zwaar beperkt, een universitaire studie aan te kunnen. Behalve dan, vertelt de jonge man, dat het een illusie was. De communicatietechniek was onbetrouwbaar, de tussenpersoon stuurde onbewust álles.

Het verhaal is maar één van de onderdelen van Kamers antikamers, de tweede roman van Niña Weijers (1987). Het boek is genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs 2019, de grootste prijs voor jonge Nederlandse romanschrijvers. „Het zal niet voor alle lezers evident zijn, maar ik heb de hele roman om dat verhaal heen geschreven. Dat gaat over de vraag wie vertelt, en hoe, en ook hoe is het om een eigen stem te hebben – op een zekere manier gaat alles in dit boek daarover.”

Tegelijk gaat het over vaststaande levens en identiteiten, over relaties, verhalen, schrijven, gecentreerd rond een schrijfster die een alter ego is van Weijers – en net als de schrijfster haar hondje uitlaat in het Amsterdamse Oosterpark. Nu we aan de rand van datzelfde park zitten, gebruikt ze even vaak het algemene ‘je’ als het persoonlijke ‘ik’, en zegt ze al net zo vaak ‘tegelijk’ als er echo’s en verbanden in haar roman zitten. Het is dan ook een „extreem associatief boek”. En, zegt ze, een reactie op haar vorige roman, „zoals elke liefde een reactie is op de voorgaande”.

Lees ook de recensie van Niña Weijers debuutroman: Een zekere pretentie is De consequenties niet vreemd

Van haar debuut, De consequenties (2014), werden 35.000 exemplaren verkocht, het werd met vier literaire prijzen bekroond en genomineerd voor de grootste, de Libris Literatuurprijs. De roman was een lancering van een schrijverschap: Weijers werd meteen bestempeld als een belangrijke nieuwe stem. „Het is voor mij iets heel groots geweest, dat ik door het schrijven heb ondervonden dat er een enorme kracht zit in het hebben van een stem die gehoord wordt”, zegt ze. Het bracht ook schaamte mee, en verantwoordelijkheid – ze wás nu schrijver, dus moest ze het waarmaken. Ze werd uitverkoren om een paar jaar in het Witsenhuis te wonen, een eerbiedwaardige schrijversresidentie aan het Oosterpark. „Wat een vrijheid – wat al snel gevolgd werd door: oh, wat nu?”

Een nieuw verhaal verzinnen? De naamloze hoofdpersoon zegt: ‘Het komt me ineens zo kinderachtig voor, personages verzinnen die een conflict moeten hebben, een onmogelijk verlangen, en na wat tegenslagen uiteindelijk berusten of roemloos ten onder gaan.’

Tegenzin tegen verzinnen, had jij die ook?

„Zo geformuleerd ís het ook kinderachtig, natuurlijk. Maar ik worstelde daarmee. In de vijf jaar sinds De consequenties is veel in de wereld precair gaan voelen: er zijn mannen aan de macht gekomen waarvan we niet vermoedden dat dat mogelijk was. En vele problemen bleken verknoopt: vluchtelingenproblematiek, klimaatproblematiek, oorlogen, autoritaire leiders die emancipatoire verworvenheden terugdraaiden. Ik heb een tijdje gedacht: wat moeten we dan nog met de roman? Tegelijkertijd is er nog niets gebeurd dat onze levens wezenlijk heeft veranderd, maar er is wel een dreiging van geweld, onderhuidse agressie.”

Tegelijk biedt het geen soelaas om het verhaal van een ander te vertellen – als ik het verhaal over de gehandicapte jongen eraan mag verbinden.

„Ja, je kunt nooit écht voor een ander spreken. En dat is tegelijkertijd wat ik doe met die anekdote: de verteller vertelt een versie van het verhaal van die jonge man, want hij vertelt het niet goed, lezen we, dus maakt zij het een coherent verhaal.”

Foto: Merlijn Doomernik

Je kunt nooit om jezelf heen, dus concludeerde je dat je wel over jezelf móest schrijven?

„Maar dat is een soort taboe: een boek schrijven over iemand die een boek schrijft. Voor je het weet gaat het nergens meer over – dat zal me ook wel verweten worden. Tegelijk moet je altijd doen wat je eigenlijk onbetamelijk vindt, denk ik, waarvan je denkt: daar kan ik niet aan beginnen. Wat zich moeilijk laat beschrijven vond ik juist interessant voor een roman. Een vriend noemde dit een masochistisch boek en dat is het wel. Het is een roman die zich verzet tegen het lineaire verhaal zoals je dat in romans aantreft, en het begint met inertie, terwijl je frictie nodig hebt om iets in gang te zetten. Daarom werkt een roman over kalm geluk ook niet.”

Dat probeert de schrijfster aan het begin van Kamers antikamers: een roman schrijven over het gemoedelijke leventje met haar geliefde. Een oudere schrijfster, die ze interviewt, lacht erom. ‘Kalm geluk dat te lang duurt’, zegt zij, ‘is niet veel meer dan een trage dood, vrees ik’. Er komt dan ook een einde aan de relatie, in het leven van de schrijfster – en in het leven van de schrijfster buiten de roman.

„Dat is het damesbladachtige antwoord op de vraag waar de roman ontstond: ik werd dertig en merkte dat ik nooit achterom had gekeken, ik wilde dóór. Als twintiger denk je dat je tien beslissingen kunt nemen die geen definitieve consequenties hebben. Maar je wordt ouder…”

En je kreeg voortdurend de vraag wanneer jij eens een kind ging baren?

„Ineens is die wetmatigheid daar, dat je leeftijdsgenoten daarmee bezig zijn. Daardoor drongen vragen over identiteit zich op: wat als ik bij deze geliefde was gebleven, wat als ik rechtdoor was gegaan in plaats van rechtsaf? Als literatuurwetenschapper had ik geleerd, heel theoretisch, dat een vaste identiteit niet bestaat, maar voor mijn gevoel had ik wel degelijk een solide kern. Totdat ik in mijn leven dingen meemaakte waardoor ik dacht: zo stevig is dat niet, wie je bent is maar net afhankelijk van wat je overkomt en wie je tegenkomt.”

Lees ook de recensie van Kamers antikamers: Niña Weijers en de ontsnapping aan huisje-boompje-beestje

Relatiebreuken, relaties, die dus autobiografisch zijn. Maar de roman benadrukt ook regelmatig dat er ruimte zit tussen jou en het personage.

„Absoluut. Ik was benieuwd hoe het zou zijn om een vertelstem te gebruiken die bedrieglijk dicht bij die van mezelf zou komen. Dat kwam doordat ik columns voor De Groene Amsterdammer schreef: columns zijn non-fictie, maar ik voelde toch afstand tussen mezelf en de woorden. Want laten we eerlijk zijn: het leven is eigenlijk een soort tasten in het duister, de gedachten die je hebt zijn niet per se duidelijk en gevormd tot taal, helemaal niet. In een column zie je een veel concretere versie van mijzelf. Dat is ook waarom ik van schrijven houd. Die vage brij van het leven transformeer je tot iets concreets, waarvan je kunt zeggen: dit zijn de woorden die ik eraan geef.”

‘De consequenties’ ging over een kunstenares die het liefst wilde verdwijnen in haar kunst, in ‘Kamers antikamers’ nam je jezelf om te zien of jij kon verdwijnen? Maar nu vanuit het uitgangspunt dat verdwijnen een illusie is?

„Ja, die kalmerende illusie die veel mensen koesteren: dat je in het ultieme geval helemaal opnieuw zou kunnen beginnen. Terwijl je natuurlijk al je shit meeneemt… Voor mij zijn lezen en schrijven een soort ontsnappingskunst: je creëert een alternatieve werkelijkheid en hoeft het niet te doen met die ene, gegeven werkelijkheid. Dat wilde ik nu ook maken: een parallel universum dat erg lijkt op het bestaande, maar juist door die nabijheid vervreemdend en soms radicaal anders is.”

Wanneer je nog midden in de schaamte zit, durf je er nauwelijks aan te denken

Is dat een eerlijke versie, of sla je dan toch weer aan het verzinnen? Er zit een ander verhaal in de roman, over een vrouw die vertelt hoe ze zich schaamt om haar reactie op een gewapende overval, die niet bepaald heldhaftig is. Daar zegt een personage later over dat het ‘schaamte-light’ was, want over échte schaamte kun je niet praten.

„Zij vindt het koketterie. Dat is niet helemaal eerlijk: ergens woorden voor vinden kan een verlossing zijn uit de schaamte, maar dat maakt de gevoelde schaamte niet meteen onecht. Wanneer je nog midden in de schaamte zit, durf je er nauwelijks aan te denken, laat staan erover te spreken. Dat lukt pas als je afstand neemt, en dan is de schaamte eigenlijk al overwonnen.”

Pure schaamte is ongrijpbaar in romans? Je schrijft over de tienerjaren van de schrijfster op een tropisch eiland, waar ze om de schaamte heen lijkt te draaien.

„Dat stuk is één grote omtrekkende beweging. Maar er zit geen groot geheim in de kern, waarvan ik denk dat de lezer het moet ontraadselen – het is een manier om dat punt over schaamte te maken. Daar moet je als schrijver naar zoeken, niet alleen om iets bloot te leggen, maar ook om te kijken wat die schaamte überhaupt is.”

Je neemt wel het risico, met zo’n autobiografisch uitgangspunt, dat het als sleutelroman gelezen wordt.

Lacht: „Dan denk ik: veel plezier ermee! Het is ook faliekant misgegaan met deze roman. Eén recensent las slecht en plakte zijn foutieve lezing meteen over de werkelijkheid heen: hij dacht dat ik een destructieve relatie had gehad met mijn beste vriendin Maartje Wortel, op wie het personage M gebaseerd is. Dat werd min of meer overgenomen in de Volkskrant. Ik kon er niet wakker van liggen – zoiets is juist interessant. Door dat autobiografische spel is het een gevaarlijk boek, het creëert een nieuwe werkelijkheid. En ik houd wel van een beetje verwarring. Ik wil ook niet degene zijn die zegt: ik ben teleurgesteld in recensenten.”

Toch doe je dat nu. Wil je graag de controle houden?

„Misschien. Het hoort wel bij het schrijverschap, vind ik, om aan de veronderstellingen te willen ontsnappen. Je wilt toch ongrijpbaar zijn, niet platgedefinieerd worden. Ik wil niet dat mensen mijn verhalen afpakken en zeggen: jij bent zó. Dan denk ik: wacht nog maar even af.”