Opinie

Vergeet de spaarrente, lenen is het schandaal

Maarten Schinkel

Zo, dus u krijgt straks nog maar nul procent rente op spaargeld bij ABN Amro. Daar kan je bedroefd over zijn, maar het echte nieuws is dat spaarders dit jaar veel en veel beter af zijn dan in 2019. Of, beter gezegd: minder beroerd. De verlaging van de spaarrente speelt daarin een marginale rol – en zelfs dat is nog te veel eer.

Vorig jaar bedroeg de spaarrente nog maar 0,02 procent. Een verlaging naar nul procent is verwaarloosbaar. Het scheelt je, bij een ton op de bank – het maximaal gegarandeerde bedrag in het depositogarantiestelsel – 20 euro per jaar. Eén keer op een mooie junidag twee pizza margarita’s laten bezorgen en het is op.

Er zijn twee andere rentegerelateerde veranderingen die voor spaarders veel belangrijker zijn.

Allereerst werkt de Belastingdienst in 2020 met vriendelijker aannames voor het fictieve rendement van spaarders. De dienst rekende over vorig jaar voor kleinere spaarvermogens met een fictief rendement van 0,13 procent en voor grotere vermogens van 5,6 procent. Per 2020 is dit fictieve rendement verlaagd naar respectievelijk 0,06 procent en 5,33 procent. Dat is vooruitgang – door grondslagwijzigingen in 2020 een tikje minder dan het lijkt, maar toch.

Het grootste voordeel moet nog komen. Vorig jaar bedroeg de inflatie, met name door de btw-verhoging, gemiddeld 2,6 procent. Een spaarder zag de koopkracht van zijn spaargeld dus met 2,6 procent uitgehold worden. En aangezien de spaarrente maar 0,02 procent was, was de zogenoemde reële rente (rente gecorrigeerd voor inflatie) -2,58 procent. Dát is nog eens een negatieve rente. Een jaar of twintig geleden, toen na de invoering van de euro en een nieuw belastingstelsel de inflatie kort opliep, was het ook zo. En mensen die al wat langer meegaan, zullen zich de negatieve reële rente van de jaren zeventig herinneren. Toen was de rente hoog, maar de inflatie vaak nog hoger.

Een modelburger betaalt nu tweemaal meer rente dan een wrak bedrijf op de beurs

In 2020 zakt de inflatie volgens het Centraal Planbureau terug naar 1,4 procent. De reële rente wordt dan min 1,4 procent. Sterk negatief nog steeds, maar wel een stuk beter – of minder beroerd – dan in 2019.

Tegen ABN Amro’s minieme verlaging van de spaarrente weegt dus heel wat op. En je zou best begrip kunnen opbrengen voor banken die ook maar de speelbal zijn van de financiële markten. Maar dat verandert snel als je naar de andere kant van de balans kijkt: lenen.

Rood staan kost nu, volgens De Nederlandsche Bank, bij banken 4,41 procent rente. Een doorlopend krediet: 6,4 procent. En gespreid betalen op een creditcard kost, ga even zitten, rond de 13 procent.

Wat zijn híér de ontwikkelingen op de financiële markten? Rentes zijn buitengewoon laag geworden. En niet alleen voor stevige leners als de Nederlandse overheid: min 0,08 procent rente voor tien jaar. Of Unilever: 0,5 procent voor een lening van 650 miljoen die in 2025 afloopt. Zonder onderpand.

Kijk ook eens naar de Europese markt voor junkbonds, verhandelbare leningen van bedrijven die een hoog risico geven op wanbetaling. De European High Yield Index, die de effectieve rente op junkbonds aangeeft, stond woensdag op 2,95 procent.

De burger betaalt dus bij roodstand anderhalf maal de rente van een wrak bedrijf, bij doorlopend krediet zelfs tweemaal zo veel rente en bij creditcards ruim viermaal.

Het echte probleem ligt dus niet bij sparen, maar bij lenen. Is de bankrente voor lenende consumenten nu te hoog, of hebben beleggers de waarde van junkbonds zo omhoog gespeculeerd, dat juist díé rente nergens meer op slaat?

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.