Opinie

Onaangebroken

Ellen Deckwitz

Sinds Oudjaarsdag is de kat van mijn ouders kwijt en zo langzamerhand beginnen we het ergste te vrezen. Je hoort weleens over poezen die een tijdje verdwijnen en dan doodleuk komen opdraven alsof er niets gebeurd is (terwijl het baasje doodsangsten uitstond) maar inmiddels zitten we op de veertiende dag en begint de hoop te vervagen.

Midas Dekkers noemt de poes een glimlach op pootjes maar de onze was eerder Prozac met een vachtje. Die hupste de woonkamer binnen, hele verhalen mauwend, gaf zo veel kopjes dat je op een zeker punt voor een whiplash vreesde. Het enige wat qua vreselijkheid zijn verdwijning overtreft, is het verdriet van mijn moeder. Ik heb mezelf in de loop der jaren geïmmuniseerd tegen de meeste buien van mijn ouders (dat hoort nou eenmaal bij volwassen worden), maar ik kan er nog steeds niet tegen om mijn moeder te horen huilen. Alsof ze een kind heeft verloren, wat niet eens zo ver van de waarheid is.

Dieren hadden altijd een bijzondere plek bij ons thuis. Mijn vader haalde speciaal hooi bij de boer voor zijn cavia’s en nam de kippen regelmatig mee uit wandelen in de houtwal achter het huis. Waar de doorsnee goudvis in Nederland een levensverwachting van minder dan een jaar heeft, zijn de twee die mijn ouders eind jaren negentig in huis namen onafgebroken in topvorm en nog steeds zo levenslustig als je redelijkerwijs van zo’n vis zou mogen verwachten.

Maar nu is er dus geen stuiterend katertje meer en hebben mijn ouders het hele dorp behangen met gezocht-posters. Elke dag trekt mijn moeder het nabijgelegen bos in, rammelend met een doosje brokjes (waar tot dusver alleen een eekhoorn op afkwam) en ’s avonds loopt ze roepend door de wijk.

Toen ik haar vanochtend sprak, herinnerde ik haar eraan dat de kat als zwerfkitten gevonden was en zich toen ook redde en dat, mocht hij dood zijn, hij een heel goed leven heeft gehad. Maar ik hoorde aan haar ademhaling dat het niet tot haar doordrong. Je voorstellingsvermogen is in dit soort situaties gewoon een bot martelinstrument.

„Ik wil hem gewoon weer knuffelen, ik houd zoveel van dat beest”, snikte ze zacht, „het is zo frustrerend dat ik niets met al die liefde kan”.

Vlak voor ze ophing, zei ze nog dat ze vandaag zou gaan zoeken bij het industrieterrein, daar worden volgens het asiel ook vaak verloren katten gevonden. De hele dag ben ik al door die wetenschap van slag. Ik zie de hele tijd mijn moeder in de regen op dat industrieterrein, roepend naar de kat, rammelend met brokjes, en hoor hoe alle onaangebroken liefde in haar klotst, en met iedere stap diepere troggen uitslijt.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.