Werk moet mensvriendelijker worden, zegt de WRR

De toekomst van werk De overheid moet radicaal anders naar werk gaan kijken, volgens adviesorgaan WRR. Werk stelt steeds hogere eisen aan mensen. Terwijl een goede, zekere baan belangrijk is voor de gezondheid en de economie. „Ons doel moet niet zijn de meest concurrerende economie te hebben, maar de beste plek te zijn om te werken.”

Banen zijn volgens de WRR sociaal ingewikkelder geworden, met meer conflicten. Dat geldt bijvoorbeeld voor vrachtwagenchauffeurs.
Banen zijn volgens de WRR sociaal ingewikkelder geworden, met meer conflicten. Dat geldt bijvoorbeeld voor vrachtwagenchauffeurs. Foto Jan Lankveld

Wie denkt aan mensen met emotioneel belastend werk, komt al snel op verpleegkundigen, ouderenverzorgers en leraren. Maar dat beeld is achterhaald. Veel meer beroepen bestaan inmiddels uit complexe, sociale taken die mensen sneller en beter moeten uitvoeren dan voorheen.

Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is deze ‘intensivering’ van banen een van de meest bepalende ontwikkelingen voor werkend Nederland, naast de toename van onzekere flexbanen en de invloed van robots en algoritmes.

Deze woensdag komt de WRR met een rapport waarin de raad het kabinet adviseert om op een heel andere manier te kijken naar werk.

De regeringsadviseur liet de werkdruk onderzoeken voor zes veelvoorkomende beroepen: leerkrachten, beveiligers, thuiszorgmedewerkers, ict’ers, vrachtwagenchauffeurs en sorteerders in distributiecentra. Wat bleek? Allemaal moeten zij sneller werken, aan hogere eisen voldoen, beter communiceren, stressbestendiger zijn en over meer mensenkennis beschikken dan een paar decennia geleden.

„Er moet niet alleen harder en sneller gewerkt worden”, zegt onderzoeker en hoogleraar sociologie Monique Kremer (Universiteit van Amsterdam). „Banen zijn ook sociaal ingewikkelder geworden, met meer conflicten. Dat was ook een eyeopener voor ons.”

Lees ook: Nederlanders ervaren steeds meer werkdruk

Zo kunnen vrachtwagenchauffeurs niet volstaan met van A naar B rijden. Ze krijgen te maken met agressie in het verkeer, en met boze klanten en opdrachtgevers als de chauffeur te laat komt. Chauffeurs moeten dat soort conflicten vaker zelf oplossen. Tegelijk is hun vrijheid afgenomen: er wordt scherp gecontroleerd, via gps, of ze wel snel genoeg werken.

Daardoor raken veel werknemers de grip op hun werk kwijt, waarschuwt de WRR. „Mensen worden vaker psychisch ziek in deze arbeidsmarkt”, zegt Kremer. Meer mensen ervaren meer werkdruk, het aantal burn-outklachten neemt toe. En ook al zijn Nederlanders steeds hoger opgeleid, ze krijgen minder vrijheid om te bepalen op welke manier ze hun werk uitvoeren: hun autonomie neemt af.

Ook op andere manieren verliezen werkenden grip. Werk en privé lopen meer door elkaar. De vaste baan is schaarser geworden, meer dan in andere westerse landen. Terwijl mensen zekerheid belangrijk vinden: 80 procent van de mensen met een tijdelijke baan heeft liever een vast contract.

Bedrijven zijn zelf ook gebaat bij vaste werknemers: die zijn meer betrokken bij hun organisatie, schrijft de WRR. En in organisaties met veel betrokkenheid wordt harder gewerkt en is er meer ruimte voor creativiteit en vernieuwende ideeën.

Niet meer, maar beter

Die grip moeten werkenden terugkrijgen, zegt de WRR, en de overheid moet daar een grote rol in spelen. De raad adviseert het kabinet om het beleid radicaal om te gooien. Tot nu toe was het doel van de overheid: werk, werk, werk. Als mensen maar een baan hebben, is het goed. Nu dat gelukt is – de werkloosheid is laag – moet de regering zich richten op de kwaliteit van dat werk. „De economie moet mensvriendelijker worden”, zegt WRR-onderzoeker en econoom Robert Went. „Ons doel moet niet zijn om de meest concurrerende economie te hebben, maar om de beste plek te zijn om te werken. Dat is óók goed voor de economie.”

Die beste werkplekken heeft Nederland nog lang niet. Heus niet alles gaat verkeerd: Nederlanders ervaren bijvoorbeeld relatief veel steun op hun werk, van hun baas en collega’s. Maar vergeleken met andere westerse landen is Nederland een middenmoter als het gaat om de kwaliteit van werk. Dat komt mede door de grote hoeveelheid onzekere flexbanen.


Wetenschappers en internationale instituten zoals de OESO (de denktank van rijke industrielanden) zijn de afgelopen jaren al anders gaan denken. Zij zien de kwaliteit van werk nu als hoogste doel. Maar het Nederlandse overheidsbeleid is volgens de WRR in de vorige fase blijven hangen: die van werk, werk, werk.

Vanuit die oude denkwijze was flexwerk een laagdrempelige manier om veel mensen aan een baan te helpen – zonder dat werkgevers vastzitten aan allerlei verplichtingen. Maar nu worden de nadelen zichtbaar, zegt Went. „Landen die inzetten op fatsoenlijk werk, op menselijke ontwikkeling en welzijn op het werk, doen het economisch beter dan landen die inzetten op flexwerk.”

Zo’n nieuwe blik op werk kan ook helpen om de groeiende personeelstekorten te bestrijden, die alleen nog maar groter worden omdat de bevolking vergrijst. Met kwalitatief goede banen, kun je mensen verleiden om meer te gaan werken, zegt Went. „De platte redenering van economen is: met een hoger loon gaan mensen meer werken. Maar dat is niet altijd zo. Als het werk zwaar en slecht is, zal een deel juist minder gaan werken als je ze meer betaalt. Want dan hebben ze hun gewenste maandbedrag al eerder binnen. Het helpt vooral om goed werk te bieden.”

Veel mensen langs de kant

Ook mensen met een arbeidshandicap (een lichamelijke of geestelijke beperking) hebben behoefte aan meer aandacht op kwalitatief goed werk. In Nederland staan relatief veel mensen met een beperking aan de kant, en dat worden er steeds meer: in 2003 had ruim 45 procent van de arbeidsgehandicapten een baan, in 2017 was dat gedaald naar 38 procent. In totaal hebben zo’n 1,6 miljoen mensen een uitkering, zoals WW, bijstand of een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De WRR ziet een rechtstreeks verband met het zwaarder worden van banen. „Mensen kunnen niet altijd voldoen aan de hoogproductieve eisen die het werk stelt”, zegt Kremer. Ook veel mensen in de bijstand hebben daar last van.

Ook daarin is radicaal ander beleid nodig, vindt de WRR. De overheid vertrouwt te veel op financiële prikkels. Zo zijn de bijstandsregels strenger geworden, die mensen moeten stimuleren een baan te zoeken.

Die puur financiële blik werkt niet, zegt Kremer: „Wat mensen nodig hebben is persoonlijke begeleiding, van mensen van vlees en bloed. Uit onderzoek blijkt dat één gesprek werklozen al helpt om sneller aan het werk te komen. Uitkeringsinstantie UWV kan een werkloze gemiddeld maximaal twee gesprekken per jaar bieden.” Op deze begeleiding is door de kabinetten onder Rutte sterk bezuinigd. „Nederland investeert nauwelijks meer in actief arbeidsmarktbeleid”, schrijft de WRR. „Ook in vergelijking met andere Europese landen.”

Voor sommige mensen is een gewone baan niet haalbaar. Daarom moeten er ‘basisbanen’ komen, vindt de WRR, een variant op de oude melkertbanen. Met als belangrijk verschil: mensen hoeven niet door te stromen naar regulier werk. Ook moeten het nieuwe banen zijn, anders worden andere werknemers verdrongen. „Een basisbaan is waardevol werk dat niemand anders oppakt”, zegt Kremer. „Je kunt kijken wat er in wijken nodig is, bijvoorbeeld voor mensen die eenzaam zijn.”

Om flexwerk drastisch in te perken, adviseert de WRR tijdelijke contracten duurder te maken voor werkgevers en hetzelfde sociale vangnet te bieden aan alle werkenden – ook aan zzp’ers. Iedereen die werkt, moet beschermd worden bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, maar ook recht krijgen op een tegemoetkoming als ze zich willen bijscholen. Ook pleit de WRR voor langer en collectief betaald ouderschaps- en zorgverlof (als een familielid ziek is) voor alle werkenden.

Lees ook: ‘Red de Participatiewet’

De WRR vindt het opvallend dat juist werknemers in de publieke sector een hoge werkdruk en weinig autonomie ervaren, terwijl juist de overheid het goede voorbeeld zou moeten geven. Kremer: „Politieagenten, leraren en verpleegkundigen hebben bij uitstek beroepstrots, vertrouwen en ruimte nodig.” Zij hebben veel te maken met veeleisende burgers, kritische ouders en zelfs agressie. „In combinatie met een hoge werkdruk en weinig autonomie is dat een venijnige mix.”

Werkgevers zouden hun personeel meer ruimte moeten geven om zelf te bepalen hoe ze hun werk doen. Alleen dan kunnen mensen blijven omgaan met de hogere eisen en de zwaardere emotionele belasting. Went: „De overheid kan normen stellen door continu uit te dragen dat de kwaliteit van banen vooropstaat.”

De voorstellen van de WRR kosten veel geld: zeker miljarden euro’s. Kremer: „Dat klopt. Maar het huidige beleid kost ook veel geld.” Bijvoorbeeld doordat mensen die lang in de bijstand zitten, doorgaans meer zorg nodig hebben. „Werk maakt mensen over algemeen gezonder.”

Bovendien, als het kabinet niet ingrijpt, dreigt dat de tweedeling in de samenleving te vergroten. Alle trends – de toename van flexwerk, de dalende autonomie en de moeilijke balans tussen werk en privé – raken laagopgeleiden relatief sterk, zegt Kremer. „Dan heb je kans dat die groep zich gaat afkeren van de samenleving. Als zij niet aan de bak komen of slechtere banen hebben, terwijl het anderen goed gaat, leidt dat tot wrijving.”