Opinie

De rechter is meer dan een probleemoplosser

Rechtspraak Moet de rechter problemen van burgers oplossen? Mooi als dat lukt, maar rechtspraak is geen product, schrijft . In het recht gaat het ook om waarden als rechtvaardigheid en redelijkheid.
Illustratie Hajo

Het zal weinigen ontgaan zijn: van rechtspraak wordt vandaag verwacht dat die ‘maatschappelijk effectief’ is. Rechtspraak moet „proberen de problemen van de mensen in de samenleving écht op te lossen”.

Deze pragmatische wending komt in alle rechtsgebieden tot uitdrukking. In het bestuursrecht in de ‘nieuwe zaaksbehandeling’. Hier wordt tijdens een zitting geprobeerd om „in één keer tot een definitieve oplossing van het juridische geschil te komen”. Ook wordt gekeken of het conflict niet op een andere, effectievere manier kan worden opgelost dan via een rechterlijke uitspraak.

In het civiele recht zijn er de recent opgestarte initiatieven zoals de buurtrechter, de wijkrechter, en de schuldenrechter. Ook hier is het leidende motto: ter zitting proberen een oplossing te vinden. Een wijkrechter deelt op Twitter zijn succes: „Er zijn afspraken gemaakt over de tijdstippen waarop de onderbuur overmatig geluid accepteert en over het dragen van sokken en sloffen.” Een andere buurtrechter vergelijkt zijn werk met dat van de mediator: „het gesprek aangaan, enigszins begrip over en weer kweken en kijken wat partijen kunnen geven en nemen.”

In het strafrecht is de ZSM-werkwijze (Zo Spoedig, Slim, Simpel, Samen Mogelijk) een veelgebruikt instrument dat het OM inzet als onderdeel van een meer oplossingsgerichte en slagvaardiger rechtshandhaving.

Ook de communicatie in de rechtspraak moet effectiever. Rechterlijke uitspraken in korte zinnen, makkelijke woorden en een logische opbouw, zodat de uitspraak door de betrokken burgers begrepen kan worden.

Vooropgesteld: op zichzelf is het streven naar burgervriendelijke rechtspraak en het tegengaan van formalisme, ontoegankelijkheid en onbegrijpelijkheid natuurlijk toe te juichen.

Tegelijk moet het schrikbeeld van formalisme, ontoegankelijkheid en onbegrijpelijkheid ons niet het zicht ontnemen op iets anders: dat rechtspraak ook uit balans kan raken door deze pragmatische wending.

Recht als uitdrukking van moreel ideaal

Want wordt zo niet afstand gedaan van juist datgene wat rechtspraak onderscheidt van andere vormen van conflictbeslechting, zoals onderhandeling, machtsuitoefening, geweld, gewoonte, of loutere lotsbeschikking? Wat blijft er over van het recht als uitdrukking van een gedeeld en moreel geladen ideaal op basis waarvan burgers met elkaar samenleven? Het recht is ook een institutie die burgers via een relatief abstract betekenissensysteem met elkaar verbindt, en die in de praktijk gestalte geeft aan een nastrevenswaardige sociale orde. Het juridische domein is de ruimte, in de woorden van rechtsfilosoof Dorien Pessers, „waar emoties, angsten en fantasieën worden gekanaliseerd en getemperd door het recht dat onder andere maat, evenwicht, proportionaliteit en bovenal goede trouw voorschrijft”.

Daarmee is met ieder rechtsgeschil ook de normatieve en op de toekomstgerichte vraag aan de orde wat we als burgers in moreel opzicht van elkaar en van de overheid mogen verwachten. Het antwoord hierop tovert de rechter natuurlijk niet uit de eigen hoge hoed. Dit antwoord ligt mede besloten in rechtsbeginselen die zo lang het recht bestaat daar onderdeel van uitmaken. Om enkele primordiale beginselen te noemen: men behoort eerlijk te leven, niemand schade toe te brengen en aan een ieder het zijne te geven. Denk ook aan het gelijkheidsbeginsel in de grondwet, de ongelijkheidscompensatie in het arbeidsrecht of het autonomiebeginsel in het privaatrecht.

Lees ook deze column: In de rechtspleging ziet het er nergens goed uit

In de pragmatische, ‘effectieve’ rechtspraak lijkt juist deze waarden-geladen kant van het recht het onderspit te delven. De rechtszoekende wordt bovenal getypeerd als consument, als afnemer van een juridische dienst op zoek naar de bevrediging van een behoefte. Het recht als product.

De pragmatische civiele rechter is primair op zoek naar een oplossing die specifieke partijen op een specifiek moment in hun leven, vanwege specifieke motieven wensen. Met het gestalte geven aan een waardengemeenschap heeft dit alles op het eerste gezicht weinig van doen.

Recht tussen beginselen en concrete ervaringen

Gelukkig staan pragmatiek en rechtspraak als uitdrukking van morele en rechtstatelijke aspiraties niet per definitie met elkaar op gespannen voet. Neem het rechtsbegrip van de rechtswetenschapper Karl Llewellyn, die behoorde tot de rechtsrealisten. Die vroegen zich af, in de woorden van Willem Witteveen: „wat kunnen juristen doen om het recht uit de afstandelijkheid van de wetteksten en van universele beginselen terug te vertalen naar de kwesties die spelen in het leven van mensen?”

Als antwoord schetste Llewellyn een ideale vorm van rechtspleging, waarin de rechter situatiegevoeligheid toont, oog heeft voor de belangen die in het geding zijn. De rechter moet de feiten van het geval in een maatschappelijk betekenisvolle categorie weten te vangen. Hiervoor moet de rechter aansluiting zoeken bij ingebedde betekenissen en concepten zoals die voor gewone burgers gelden. Denk bijvoorbeeld aan seksuele intimidatie. Bij de duiding daarvan moet de rechter niet te veel abstraheren van hoe een dergelijke situatie door mensen wordt ervaren. Tegelijk: de visie van de direct betrokken partijen in een geschil is hier relevant, maar niet doorslaggevend.

Llewellyn ruimde nadrukkelijk ook plaats in voor beginselen, rechtsregels en de doorwerking daarvan in een rechterlijke uitspraak. Uiteindelijk moeten deze algemene, waarden-geladen noties mede richtinggevend zijn voor de oplossing.

Ideeëngeschiedenis tanende aan rechtenfaculteit

In zijn rechtsbegrip gaat het dus niet alleen om de bevrediging van een behoefte of maatwerk voor het individuele geval, maar om Redelijkheid met een hoofdletter. De rechterlijke uitspraak is dan niet uitsluitend ‘heldere communicatie’, maar ook uitdrukking van de kunst van het juridisch schrijven waarin de rechter de balans zoekt tussen algemeenheid en betekenisvolheid in het concrete geval.

Juist in een tijd waarin de pragmatische wending zich in rap tempo voltrekt, hebben juristen alle reden om zich te blijven verdiepen in een rijke juridische denktraditie waarin pragmatiek en morele en rechtsstatelijke aspiratie hand in hand gaan. Helaas is aan de rechtenfaculteiten de aandacht voor deze ideeëngeschiedenis tanende, met pragmatische aansporingen als ‘rechtenstudenten moeten problemen leren oplossen’ en ‘rechtswetenschappers moeten maatschappelijk relevant zijn’. Leert de jurist van de toekomst nog wel dat het recht meer kan zijn dan het oplossen van een specifiek probleem?

Wil Vrouwe Justitia niet mank eindigen, dan is het zaak om de in het recht besloten morele idealen, en de betekenisvolle communicatie daarvan door middel van juridisch taalgebruik serieus te blijven nemen. In de rechtspraktijk, en aan de universiteit.

Correctie (14 januari 2020): In een eerdere versie van dit artikel werd de achternaam van rechtsfilosoof Karl Llewellyn foutief geschreven als Lewellyn. Dat is hierboven aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.