Verloochende liefde, wraak van een muze

Vanuit de VS schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over de brieven van dichter T.S. Eliot aan zijn minnares Emily Hale, die sinds kort openbaar zijn.
Illustratie Eliane Gerrits

Eindelijk is het zo ver. Ik mag de trappen afdalen naar de catacomben van de universiteit van Princeton om de 1.131 brieven te lezen die T.S. Eliot aan zijn vertrouweling en muze Emily Hale schreef. Na meer dan een halve eeuw zijn de koperen banden verwijderd, de hangsloten ontgrendeld. Met gewassen handen zit ik in de universiteitsbibliotheek met een stapel originele brieven voor mijn neus. Met potlood en papier, zonder camera. Publicatie mag pas in 2035.

Het is moeilijk voor te stellen hoe belangrijk Eliot is in Amerika. Onze kinderen spendeerden op school een semester aan het lezen van zijn gedicht ‘The Waste Land’, met de te pas en te onpas geciteerde openingszin: „April is the cruellest month”. De verzenbundel Old Possum’s Book of Practical Cats inspireerde de succesmusical en de Hollywoodflop Cats.

Een beetje kunstenaar heeft een muze. Eliot had Hale op wie hij in zijn studententijd verliefd werd. Tijdens zijn ongelukkige huwelijk vond hij troost bij haar. Ze zagen elkaar enkele zomers, en ze correspondeerden tussen 1930 en 1957 uitvoerig. Toen zijn vrouw overleed – Hale was inmiddels een eind in de vijftig – ging zij ervan uit dat ze eindelijk samen konden zijn. Maar Eliot koos ervoor te trouwen met zijn dertig jaar jongere secretaresse. Hale raakte hiervan zo overstuur dat ze in het ziekenhuis belandde.

Toen Hale de brieven aan de bibliotheek schonk, was hij nogal ontstemd. Hij stelde een verklaring op hoge poten op, die ook pas nu openbaar is gemaakt: „Emily Hale zou de dichter in mij hebben vermoord”. Aan zijn huwelijk was hij bijna onderdoor gegaan, maar zijn vrouw hield tenminste „de dichter in leven”. Achteraf bezien leek de nachtmerrie van zijn zeventien jaar huwelijk te verkiezen boven het leven van een „middelmatige docent filosofie” die hij met Emily zou zijn geworden. Hij hield niet echt van haar en hallucineerde toen hij haar schreef. En, o ja, al haar brieven aan hem had hij laten vernietigen.

Voorzichtig blader ik door de getypte en handgeschreven vellen papier, met hier en daar een knipsel. Het is pijnlijk te zien hoe zorgvuldig Hale met zijn brieven is omgegaan. Nergens één beduimelde plek, geen valse vouw. Ik ben voortdurend bang een scheurtje te maken in het luchtpostpapier. Ik voel me een voyeur bij deze hoogstpersoonlijke, intieme ontboezemingen.

Eliot deelt de grote en kleine dingen uit zijn leven, klaagt over lichamelijke ongemakken en geldgebrek. En hij verklaart Hale zijn liefde. Hij schrijft over zijn hoop dat zijn vrouw overlijdt, en ook zijn schuldgevoel daarover. Maar als ze dan daadwerkelijk sterft, schrijft hij dat hij zeventien jaar op een onbewoond eiland woonde. „Ik was nooit een complete man. Maar ik ben mijn verleden, en alles wat daarbij hoort. Ik kijk naar mezelf, en zie een vreemde, en of ik wil of niet, ik moet moet hem leven.” Hij trekt de vergelijking met de vondst van een mummie. „Heel even zien we de persoon zoals die 4.000 jaar geleden was. Dan verkruimelt die.”

De brieven spreken voor zich, daar kan geen verklaring achteraf iets aan veranderen. Het tragische lot van een muze. En haar wraak.

Reacties naar pdejong@ias.edu