Analyse

Vage winstbegrippen verwarren de belegger

Deze rubriek belicht iedere maandag ontwikkelingen op de beurzen. Deze week: alternatieve winstbegrippen.

Foto Paul van Riel / Hollandse Hoogte

Vermoedelijk zijn er niet veel mensen die zondagavond op de bank neerzijgen om eens even lekker het jaarverslag van een beursgenoteerd bedrijf door te nemen. Los van alle wollige volzinnen wemelt het in dit soort publicaties van begrippen die zeker drie Google-zoekopdrachten nodig hebben om ze te begrijpen.

Daar moet wat aan gedaan worden. Tenminste, dat vindt zowel de internationale organisatie van boekhoudregels IASB als de Europese effectenmarkttoezichthouder ESMA. Niet om van jaarverslagen nou meteen pageturners te maken die Ilja Leonard Pfeijffer uit de CPNB-bestsellerlijst verstoten, maar wel om ze in ieder geval voor beleggers begrijpelijker te maken.

IASB en ESMA ergeren zich aan de vele zogeheten alternatieve winstbegrippen in jaarpublicaties. Bedrijven zijn volgens internationale standaarden verplicht een aantal cijfers in hun verslagen op te nemen, zoals nettowinst en omzet. Maar daarbuiten kunnen ze ‘eigen’ begrippen als ebitda, beia of underlying operations income gebruiken. Daar zijn geen standaarddefinities voor. In het ergste geval verdoezelt een bedrijf zo dat het eigenlijk helemaal niet goed gaat.

In een in december uitgegeven rapport spoort ESMA Europese bedrijven aan meer duidelijkheid te geven over hun alternatieve winstbegrippen en terughoudend te zijn met het gebruik ervan. Toevallig deed IASB ongeveer tegelijkertijd dezelfde aanbeveling en zei de boekhoudorganisatie meer verplichte standaardbegrippen te willen introduceren die jaarverslagen transparanter moeten maken.

„Het is echt in het belang van de belegger dat hier aandacht voor is”, zegt Paul Koster, voorzitter van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB). „Het is een studie op zich om te begrijpen wat sommige begrippen betekenen. Die kunnen een bepaalde kleuring geven die de leiding van een bedrijf nastreeft.”

WeWork, de Amerikaanse kantoorverhuurder wiens beursgang vorig jaar mislukte, is het schrikbeeld. Dat haalde in zijn prospectus acrobatische toeren uit om te verhullen dat het geen winst maakte. „Community adjust ebitda” stond daarin als winstcijfer, zegt Koster lachend. „Dat was gewoon de omzet.”

Ook Ruud Vergoossen, hoogleraar externe verslaggeving aan de universiteiten van Nyenrode en Maastricht, juicht het toe dat hier nu aandacht voor is. „De afgelopen decennia is er een wildgroei geweest aan alternatieve winstbegrippen. Wat ik storend vind, is dat een onderneming het ene jaar definitie X gebruikt, en het andere jaar definitie Y, omdat dat beter uitkomt. Daardoor zijn cijfers door de jaren heen niet goed vergelijkbaar.”

Tegelijkertijd, zeggen Koster en Vergoossen: met alternatieve winstbegrippen an sich is niets mis. Ze kunnen goed laten zien wat de invloed is van bepaalde posten op de winst, en daarmee hoe een bedrijf ervoor staat. Zolang je de begrippen maar goed uitlegt en eenduidig bent in het gebruik ervan.

Of de aanbevelingen van ESMA iets uithalen, is de vraag. De toezichthouder spoorde bedrijven vier jaar geleden ook aan alternatieve winstbegrippen beter uit te leggen. In 2018 deed één op de zeven Europese ondernemingen dat. De Nederlandse waakhond AFM kan geen sancties opleggen voor het gebruik van vage begrippen. Hoopvoller, vindt Vergoossen, is dat IASB nieuwe standaardbegrippen wil definiëren die bedrijven moeten gebruiken. Operationeel resultaat, bijvoorbeeld. Nu kan dat nog op allerlei manieren worden uitgelegd.

Voor de belegger die de komende weken het cijferseizoen volgt, heeft Koster het volgende advies: „Ga nooit af op wat het persbericht over de jaarcijfers zegt. Kijk altijd naar het verslag zelf en lees dat goed. En let op wat analisten over de cijfers zeggen. Die pakken de belangrijke punten op.”