Opinie

Op zoek naar een kat

Frits Abrahams

Een leuk katje uit het asiel, dat leek ons wel wat na een katloos jaar. Er zijn liefhebbers die na de dood van hun kat meteen een nieuwe nemen. Misschien zouden ze dat ook na het overlijden van hun eigen partner doen, maar het blijft een vrij harde beslissing.

Voor we op onderzoek uitgingen, had ik de websites van een aantal asielen doorgeworsteld. Het stemde me niet onverdeeld optimistisch. My gosh, als ik namens de University of Twente ook even wat Engels mag inbrengen. Als je op die sites afgaat, bestaat het aanbod hoofdzakelijk uit kneuzen.

Ik had zelden zoveel gehandicapte katten bij elkaar gezien. Nierziekte, blaasgruis, darmzwakte, gedeeltelijke blindheid, ontbrekend pootje, gedragsstoornissen – het kon niet op. Het leek wel of de Nederlander zijn zieke dier massaal bij het asiel dumpte.

Toch vonden we met veel moeite één poes waarmee op het eerste gezicht weinig mis leek. Goed, ze was stressgevoelig, maar wie is dat tegenwoordig níet? Ook vertoonde ze terughoudend gedrag, maar als je genoeg geduld had kwam vanzelf haar lieve, aanhankelijke karakter boven, zo bleek uit de tekst. „Mona”, heette ze, en ze had een aardig kopje. „We wagen het erop”, zeiden we tegen elkaar.

We waren op deze zaterdagmiddag niet de enigen die de uitdaging aandurfden. In de zaaltjes – een soort grote huiskamers met een weelde aan krabpalen en ander kattenspeelgoed – draaiden de zoekenden moeizaam om elkaar heen terwijl ze met de katten in contact probeerden te komen. De respons was gering. De meeste katten bleven onzichtbaar doorpitten achter het lapje dat tegen hun mand was gespannen, of wierpen een verveelde blik op de bezoekers; slechts enkele katten lieten zich verlokken tot enige interactie op de vloer.

Mona konden we eerst niet vinden, maar bij navraag bleek dat ze zich altijd diep in haar mand schuilhield. Ze keek me één ondeelbaar moment afwezig aan en staarde toen weer neutraal voor zich uit, zonder ook maar een spier in haar lijfje te vertrekken. Een aardig kopje, inderdaad, maar verder volstrekt passief.

„Zo is ze altijd”, verzekerde een verzorgster ons, „en zo zal ze wel blijven: niet sociaal.” Mona was een jaar of drie – en al die jaren was ze volledig verwaarloosd, men had haar met andere katten in een leeg huis aangetroffen. Ik keek mijn vrouw aan. Toch proberen? Toen waarschuwde de verzorgster: „Ze heeft ook diarree. Het is met dieetvoedsel wel wat verbeterd, het is nu meer zachte poep.”

Toen vroegen we toch maar of er nog andere, minder bewerkelijke kandidaten waren. Ze nam ons mee naar een zaaltje waar een jonge, cyperse poes net ontwaakte. Ze had geen middaghumeur en reageerde zelfs zeer aaibaar op de stem en handen van mijn vrouw. Aanbiddelijk katje!

Maar we mochten haar niet meenemen, want we hadden geen tuin. De verzorgster kwam het ons na ruggespraak met een leidinggevende vertellen. Mona had wél gemogen, die had immers nergens meer behoefte aan, ook niet aan een tuin. Ruim twintig jaar hadden we twee vitale katten – één afkomstig uit een asiel – een goed leven kunnen geven in een appartement met balkon, wierpen we tegen, katten kun je niet zomaar in buiten- en binnenkatten verdelen. Maar het asiel was onverbiddelijk: het katje moest blijven en wij konden gaan, als afgewezen asielzoekers.