Foto Tessa Posthuma De Boer

Interview

‘Het kwam niet in mij op dat iemand zo’n grap zou maken’

Grap Mira Feticu (46) dacht in 2018 een verdwenen Picasso in Roemenië opgegraven te hebben. Ze bleek slachtoffer van een grap, die grote gevolgen voor haar had. „Ik ben ernstig. Ik kom uit een ernstige wereld.”

Onder de bevroren bomen van een Roemeens bos ging ze op zoek naar een gestolen Picasso. Haar zeventienjarige dochter vindt het achteraf een goede grap. Zelf kan de Roemeens-Nederlandse schrijfster Mira Feticu (46) uit Den Haag er ruim een jaar later nog steeds niet om lachen. Want er is veel gebeurd nadat ze in het najaar van 2018 afreisde naar Roemenië voor het kunstwerk – dat later niet echt bleek te zijn. Ze moest noodgedwongen haar huis verkopen, raakte haar baan kwijt en verloor goede vrienden.

Het begon allemaal zo: Roemeense kunstdieven stalen in 2012 zeven kunstwerken uit de Rotterdamse Kunsthal, waaronder een pasteltekening met de naam Tête d’Arlequin van Picasso. Het was groot nieuws. De dieven smokkelen de werken naar Roemenië, waar de moeder van een van de verdachten ze naar verluidt verbrandde toen de politie haar zoon op het spoor kwam. Door haar eigen Roemeense achtergrond raakte Feticu geboeid door het verhaal. Ze schreef in 2015 de roman Tascha over de roof en het leven van de vrouwelijke verdachte.

Mogelijk was het dankzij Tascha dat Feticu in het najaar van 2018 een Roemeense brief ontving. Daarin onthulde een anonieme schrijver dat Picasso’s Tête d’Arlequin nog bestond. Sterker nog: het kunstwerk zou verstopt zijn in een bos in Roemenië. De anonieme afzender wilde ervan af.

Feticu was met stomheid geslagen en waarschuwde meteen de Rotterdamse politie. Maar ondanks een toezegging kwam er nooit iemand bij haar op terug, zegt ze. En zo besloot Feticu om samen met journalist en publicist Frank Westerman naar Roemenië af te reizen. Op zoek naar de Picasso.

Op 17 november 2018 waren de twee wereldnieuws: op de aangegeven verstopplek lag inderdaad een in plastic gewikkelde tekening in de grond. Tientallen journalisten, cameraploegen en radiozenders van over de hele wereld wilden het verhaal horen. De Roemeense autoriteiten namen de vondst dan ook zeer serieus; het onderzoek naar de kunstroof werd formeel heropend. En rechercheurs verhoorden Feticu en Westerman tot diep in de nacht, vertelt Feticu.

Foto Tessa Posthuma De Boer

De euforie over de vondst was groot, tot experts in Nederland begonnen te twijfelen aan de echtheid van de Picasso. En toen kwam er een mailtje binnen bij Feticu: twee Vlaamse theatermakers van toneelgroep Berlin vertelden dat zij het kunstwerk hadden verstopt. En dat Feticu en Westerman dus naar Roemenië waren gelokt. Het bleek allemaal onderdeel van de voorstelling True Copy, een theaterstuk over het leven en de visie van de beroemde Nederlandse kunstvervalser Geert Jan Jansen – die de Picasso die Feticu vond zelf schilderde. Geheime camera’s in de bomen filmden bovendien hoe het duo de vervalste tekening onder een steen vond. In de voorstelling is daar nog slechts een kort fragment van te zien, waarop zij niet herkenbaar in beeld zijn.

Iets meer dan een jaar later is Feticu nog altijd fel en verontwaardigd over wat er gebeurd is. Ze vouwt de brief open die in het najaar van 2018 in haar postvakje lag. ‘Ik ben het zat om voor Tête d’Arlequin te zorgen. Het verhaal moet stoppen’, vertaalt ze uit het Roemeens. Twee uitgeprinte foto’s tonen een verstopplek in een bos. „Het is een heel verdrietige brief. Ik dacht: ze hebben mijn hulp echt nodig.”

Ze vertelt dat ze altijd „een beetje naïef” is geweest. Een beetje dromerig. „Maar ik wilde vechten voor het goede. Ik wilde Tête d’Arlequin teruggeven aan Nederland. Ik hield er rekening mee dat er niets zou liggen. Maar ik heb geen seconde gedacht: het werk ligt er wel, maar het is fake. Het kwam niet in mij op dat iemand zo’n grap zou maken.”

Ondanks haar goede bedoelingen beleefde Feticu angstige momenten in Roemenië. Feticu en Westerman werden tot diep in de nacht verhoord en moesten handafdrukken en wangslijm afgeven, vertelt ze. „De intimiderende Roemeense agenten dwongen ons mee te doen aan een reconstructie.” Ook toen bleek dat het om een vervalste tekening ging, was de politie niet meteen overtuigd. „De agenten wilden weten of we in het complot zaten.”

De grap van de theatermakers is voor Feticu niet zomaar iets. Haar vertrouwen is vaker geschaad en haar verleden in Roemenië is pijnlijk. In haar roman Al mijn Vaders beschrijft ze haar eigen jeugd in een internaat, waar ze seksueel misbruik en geweld meemaakte. Ze vertrok definitief naar Nederland toen ze met haar Nederlandse man een kind kreeg.

Dat uitgerekend zij een brief kreeg, laat volgens Feticu zien dat de Belgen niet bij de gevolgen voor haar stilstonden: „Ze stuurden mij een brief zonder dat ze iets van mij wisten. Dat ik een verleden heb. Dat ik bang ben voor de Roemeense politie en dat ik liever in Nederland zit. Des te meer zie je dat ze nergens rekening mee hielden.” En dat allemaal voor een practical joke, in naam van de kunst. Dat steekt: „In mijn boeken heb ik wel eens geschreven dat ik de Nederlandse humor af en toe flauw vind. Ik ben ernstig. Ik kom uit een ernstige wereld.”

Lees ook onze productie over het tragische lot van de geroofde Kunsthalwerken: De kunst van het stelen

Ze had nog nooit gehoord van een hoax, tot ze er dus zelf onderdeel van werd. In het communistische Roemenië, waar Feticu opgroeide, bestonden geen hoaxes. De geheime dienst Securitate was een gevreesde machtsfactor met een breed netwerk aan informanten onder de bevolking. Iets als een verkeerd begrepen grap kon levensgevaarlijk zijn – zelfs je buurman of je leraar kon je aangeven bij de Securitate. Na de val van het IJzeren Gordijn werd de dienst in 1991 omgevormd tot de huidige politiemacht.

In Roemenië had je de communisten, de verklikkers en de corrupten aan de ene kant, en aan de andere kant de mensen die wél het goede wilden doen – of tenminste hun best deden om anderen niet te kwetsen, vertelt ze. „Het was een zwart-wit-wereld. En dan kom je in het Westen en bevind je je ineens in een grijze wereld, waar mensen het ene kunnen zeggen en ondertussen het andere doen.”

Ook sommigen van mijn vrienden vonden mij heel dom

Mira Feticu

Dat het haar nu overkwam is erg genoeg, vindt Feticu, maar het was niet minder kwalijk geweest als dit iemand anders was overkomen. „Je moet met mij niet omgaan alsof ik een gebruiksaanwijzing heb vanwege mijn jeugd. Ik ben een mens. En een mens mag je niet gebruiken voor je doelen.” Wat misschien ook wel steekt, is dat Feticu het idee heeft dat de meeste Nederlanders de kant van de theatermakers kozen. „De media, ja ook NRC, vonden het een mooie grap en gaven de voorstelling vijf sterren. Vijf sterren! Terwijl het oplichters zijn.”

Haar werkgever in de culturele sector, waarmee ze voor haar reis naar Roemenië al een moeizame relatie had, wilde na alle media-aandacht niet langer met haar verder. Via een advocaat is de arbeidsovereenkomst uiteindelijk beëindigd. „Ze vonden dat ik me belachelijk had gemaakt. Dat ik niet had mogen gaan”, zegt Feticu. Ze moest vervolgens haar huis verkopen. „Door het verlies van mijn baan kon ik onze woning niet langer betalen. Mijn man was daarom ook een tijdje boos op mij. Het voelde alsof iedereen boos op me was. Ook sommige vrienden vonden mij heel dom.”

Ze is naar eigen zeggen niet verbitterd door de gebeurtenissen in Roemenië. „Wel vertrouw ik mensen minder snel. Een paar weken geleden werd ik benaderd door de redactie van een tv-programma dat me wilde interviewen – het ging over de zoektocht. Ze vertelden het zo mooi. Ik heb hun teruggemaild: is dit geen hoax? Is dit een grap?”

Inmiddels heeft Feticu de draad weer opgepakt. Over het avontuur met Frank Westerman schreef ze het boek Picasso’s Keerzijde, waarin ze haar verhaal en de gevolgen beschrijft. Ze heeft nieuw werk; ze geeft cursussen Roemeens aan de Volksuniversiteit en houdt lezingen over antisemitisme in Oost-Europa. Daarbij werkt ze als freelance-journalist en programmeur. En ze heeft een nieuw huis. „Zoals ze in Nederland zeggen: alles komt goed.” Oude vrienden hebben plaatsgemaakt voor nieuwe vrienden. „Mensen die een beetje op mij lijken.”

Zou ze nog een keer gaan als ze weer zo’n brief kreeg? „Ik denk dat ik er nu twee keer over na zou denken. Of eerst vijf keer proberen de politie te bellen in plaats van één keer. Maar ik zou me verplicht voelen om te gaan”, zegt ze. En daarna met een glimlach: „Dit ben ik: iemand die nog altijd gelooft dat er ergens een Picasso begraven ligt.”

NRC vroeg toneelgroep Berlin om een reactie op Mira Feticu’s ervaringen. „We betreuren de teneur van het interview en de toerekening van het baanverlies aan de zoekactie, verder willen we niet inhoudelijk reageren”, mailt woordvoerder Sam Loncke.