Baksteen, benzine en een brandende sigaret

Wie: Samir (27)

Kwestie: poging brandstichting

Waar: rechtbank Amsterdam

De Zitting

Samir is weer niet komen opdagen en dat zorgt voor een nogal matte zitting. Zijn strafbare feit, poging tot brandstichting in de woning van een ex-vriendin van een kennis, is inmiddels drie jaar oud. Sindsdien is Samir (27) erin geslaagd alle contact met het gezag af te houden. Bij de politie beroept hij zich op zijn zwijgrecht, op eerdere zittingen kwam hij niet, bij de rechter-commissaris is hij ook weggebleven. Op een uitnodiging van de reclassering ging hij evenmin in. De voorzitter van de strafkamer is licht gefrustreerd, enigszins korzelig. Vooral omdat eerdere zittingen zijn aangehouden omdat Samir de volgende keer heus wel zou komen. In het dossier zit nu geen enkele verklaring van de verdachte. „We weten helemaal niks van zijn procespositie”, zegt de voorzitter.

De advocaat legt uit dat Samir last heeft van paniekaanvallen en depressie. Daarom kan hij geen zitting meemaken. Het gaat alleen beter met hem als hij ‘in het buitenland’ is. Marokko? vraagt de rechter. De advocaat aarzelt. ‘Laat u maar’. Afspraken nakomen zou voor Samir überhaupt moeilijk zijn, vertelt zijn advocaat. Zijn cliënt woont bij z’n moeder, heeft een uitkering, schulden, brak zijn school af, gebruikt antidepressiva en is eerder veroordeeld, voor zware mishandeling en een drugsmisdrijf. Wat hij overdag doet, is onbekend.

En dus moet er na drie jaar maar eens een punt achter worden gezet. Voor de twee medeverdachten is dat al lang gebeurd, tot in hoger beroep aan toe. De een is gedeeltelijk vrijgesproken, de ander veroordeeld tot 24 maanden celstraf. Behalve voor brandstichting ook voor een klap in het gezicht en een bijkomend drugsmisdrijf. Het speelde zich allemaal af in een decembernacht in 2016, toen het drietal op stap was in een club op het Amsterdamse Leidseplein. Daar maakte de vriendin van Samirs vriend het met deze uit, wat haar op een klap in het gezicht kwam te staan. Veel later, tegen het ochtendgloren werd vervolgens de keukenruit van haar ouderlijk huis ingegooid met een baksteen. Daarna werd er benzine door het gat gegoten. De twee brandende sigaretten die er achteraan kwamen smeulden een poosje en doofden uit. In het rijtjeshuis sliepen zes personen. De mannen zijn binnen een paar uur opgepakt.

Wat is er precies tussen de klap in het gezicht en het ingooien van de ruit gebeurd? Wie was waar aanwezig en had welk aandeel? De man die de klap gaf, is veroordeeld, ook voor de poging brandstichting. Hij bekende, waarbij hij verklaarde zowel ‘helemaal alleen’ te hebben gehandeld als dat hij zich ‘liet meeslepen’. En dat brandstichting ‘niet zijn idee ‘ was. Vernielen was voor hem genoeg geweest. Waaruit logischerwijs voortvloeit dat er dan ook iemand anders actief deelnam aan het delict, stelt de officier. En als het niet de (vrijgesproken) bestuurder was, wie anders dan Samir kon het dan zijn geweest?

De advocaat vindt dat van Samirs aanwezigheid geen enkel hard bewijs bestaat. Hij is niet ‘honderd procent herkend’ op de beveiligingsbeelden, noch bij de club en ook niet bij de benzinepomp waar een jerrycan met benzine is gevuld. Dat er op één van de gevonden sigaretten Samirs dna is gevonden, wil niet zeggen dat het ook Samir was die de sigaret de keuken ingooide. De sigaret kan per toeval zijn meegenomen uit de auto, waarin het een rommeltje was. Alle drie mannen rookten hetzelfde merk en droegen vanwege de kou handschoenen. „Alternatieve scenario’s zijn mogelijk”, stelt de advocaat. De officier houdt het kort. Voor de bewijsvoering verwijst hij in hoofdzaak naar het andere vonnis. Hij eist achttien maanden cel tegen Samir, waarbij rekening gehouden is met het tijdsverloop. „Behandeling zou verstandig zijn”, vindt de officier, maar aangezien Samir zich niet heeft laten zien, kan dat hooguit bij een voorwaardelijke vrijlating aan de orde komen.

De rechtbank veroordeelt Samir tot achttien maanden cel voor het medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten, „terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”.

Deelnemers Advocaat: mr. R. Pothast Rechters: H.J. Fehmers (voorzitter), mr. M.E.M. James-Pater en mr. P.J.H. van Dellen Officier van Justitie: mr. J.J.J. Schutte