Recensie

Recensie Boeken

Wat kan ík doen voor een betere wereld? Drie boeken geven antwoord

Literair engagement Volstaat het om je via een elitaire positie te onttrekken aan maatschappelijke problemen? Wat moet ík doen voor een betere wereld? Drie recent verschenen romans geven antwoord.

Foto Getty Images

Met de roep om engagement in de literatuur lijkt wel eens te worden vergeten dat romans zo hun eigen mogelijkheden maar ook beperkingen hebben om de tijd of de geest van die tijd waardevol te representeren, dus op een hoog literair niveau. Om een voorbeeld te noemen: de opkomst van de rechtse populist is zonder twijfel één van de belangrijkste thema’s van onze tijd, maar ik las er nog geen écht geslaagde roman over. Milieuproblematiek? Idem dito. Terreur of de angst ervoor? Een aannemelijke bom kom je op papier zelden tegen.

Gelukkig weten de meeste schrijvers wel dat de omgang met de thema’s waar de kranten vol van staan al snel te letterlijk is en vermoedelijk zal leiden tot niet heel goede romans. Dan liever de hint of de toon van de tijd. Een paar jaar terug, in het hart van de financiële crisis, verschenen er bijvoorbeeld opeens romans over mensen die allenig en vertwijfeld op een eiland zaten. Je kon er de wens in lezen om je aan het vertrouwde vasteland te onttrekken, je kon er de zojuist ontslagenen in zien, de thuiszitters, opeens verstoken van een taak in de gemeenschap. Dat werkte beter als illustratie, zoals het suggestieve(re) Joy Division ook een veel betere muzikale illustratie is van de somberte van de jaren tachtig dan de band die alleen riep dat Thatcher een trut was.

Maar het blijft spannend om te ontdekken hoe listig de beleving van de tijd en de roep om verandering zijn weg vindt in romans. Romans blijven natuurlijk kunstwerken, die je óók en misschien wel vooral op hun literaire kwaliteit moet beoordelen, maar dat wil niet zeggen dat er niet meer van te vinden is dan dat. Zo worden in drie recente romans – opvallend – verwante vragen opgeworpen over de verantwoordelijkheid van het individu binnen een gemeenschap. Volstaat het om je via een traject van studie en een hoog aangeschreven baan te onttrekken aan maatschappelijke problemen? Is individueel geluk, verkregen via de arbeids- en consumptiemarkt, prijzenswaardig of moeten we ons wat meer aantrekken van elkaars lot?

Sociale klimmer

Twee schrijvers, John-Alexander Janssen en Miek Smilde, spitsen die vraag toe op leden van de rechterlijke macht. In Trocadéro volgen we een jongeman die op het punt staat rechter te worden en in Dorsmans dood een raadsheer die zich juist aan het einde van zijn carrière bevindt. In beide gevallen is hun solistische standpunt belangrijk. Bij Janssen (1984) wordt de rechter in spe uit zijn cocon van eerzucht gelokt en bij de wereld betrokken terwijl Pieter Coorn, het personage van Miek Smilde (1966), pas aan het eind van zijn loopbaan hard wakker wordt geschud uit zijn zelfgenoegzame droom. En terwijl de publieke roep om hardere straffen (Dorsmans dood is een roman over wraak) zwaar op hem drukt, stuurt hij een verdachte ten onrechte voor lange tijd het gevang in. Verdient de sociale klimmer Coorn (nog steeds) onze erkenning omdat hij zich ontworstelde aan zijn eenvoudige afkomst of moeten we strenger zijn en méér van hem eisen, meer van iemand vragen die op een invloedrijke positie is beland?

In Ontweten van Menno van der Veen (1979) geen rechters of advocaten, maar evengoed vragen over maatschappelijke betrokkenheid en de cijfercode van de ivoren toren. Centraal staat Daav, een man die zich juist veel tegen de vorming van de publieke opinie aan bemoeide, maar daar nu een prijs voor betaalt: hij torst de last van nationale blamages zoals de val van Srebrenica, het Indië-verleden en de excessen van multinationals (ook het kapitalisme wordt hier dus als een gemeenschap gepresenteerd) als zakken lood met zich mee. Van der Veen waagt zich aan het waarom van dat torsen, hij gebruikt zijn roman onder meer om te onderzoeken hoe waardevol het is. Levert het wat op? En: levert het wat op om ook ándere mensen uit die gemeenschap bij herhaling in te peperen dat zij zich in een keten van immoreel gedrag bevinden?

Sirenenzang

Daav is noch held, noch een personage dat door Van der Veen in zijn hemd wordt gezet om zijn eventuele opportunisme. Hij functioneert ook om een andere denktrant, namelijk het woord uit de titel, ruimte te geven. Het ‘ontweten’, een mantra dat hem als een sirenenzang wordt ingefluisterd door een vriendin, laat zich niet eenvoudig door een synoniem vervangen en vertoont zowel trekken van een soort persoonlijke verlichting of het ‘leven in het nu’ (Daav wordt bij herhaling aangeraden om alles wat hij aan kennis en inzichten vergaarde los te laten om zich mee te laten voeren door ‘voorwaartse krachten’), maar heeft tegelijk iets nihilistisch. Is iemand die zichzelf ‘bevrijdt’ van de lastige vraagstukken van een gemeenschap nog wel een volledige deelnemer aan die gemeenschap? Leidt wegkijken (zoals je het ontweten kunt typeren) niet logischerwijs tot een marginalere rol binnen de gemeenschap? Van der Veens boek doet je op een verbeeldingsvolle manier nadenken over democratie, burgerschap en de erosie van zulke woorden met betrekking tot ons economische systeem. Wat zijn humane waarden nog waard als je mensen doorlopend stimuleert tot competitie, tot onderlinge strijd?

De grootste troef van Janssens Trocadéro is dat er maatschappelijke betrokkenheid in wordt gepresenteerd als iets verleidelijks, als een soort fountain of youth: Julians levenspad mag dan uiterst succesvol worden genoemd, erg veel geluk lijkt er niet per se mee gepaard te gaan. Niet alleen lijkt hij vooral de dromen van zijn ouders na te jagen, erg gevuld of plezant is zijn leven ook niet, feest en vitaliteit zijn juist te vinden tussen de mensen die het leven leiden, in plaats van er vanuit de spreekwoordelijke helikopter naar kijken. Je zou kunnen zeggen dat Janssen zijn personage gebruikt zoals Chuck Palahniuk dat deed in Fight Club (1996): vol van zekerheid, maar lek van ziel. Tijdens een verblijf in Parijs trekt de vrijbuiter Danto hem het woelige leven van de voorsteden in, min of meer vanwege de overtuiging dat niet een veilige terugtrekking uit de samenleving het verstandigst is, maar het erin opgaan en het leggen van verbindingen. Uiteraard is Danto – net als Palahniuks Tyler Durden – niet helemaal zuiver op de graat.

Op de romans van Janssen, Van der Veen of Smilde is verteltechnisch heus wel wat aan te merken. Ze ontberen dramatische insnoering (Ontweten), zijn te alledaags van beschrijving en handeling (Trocadéro) of leunen wel erg sterk op de jurisprudentie van nu (Bordewijks Karakter zou geen klassieker zijn als het zo vol zou staan met vaktaal als Dorsmans dood). Maar elk van deze romans bevat iets, een soort legering van gistend onbehagen en suggesties voor een alternatief, wat wel degelijk iets essentieels over deze tijd zegt. En vooral over hoe die beleefd wordt.