Opinie

Rokende visverkoopster

Marcel van Roosmalen

De middenstand in ons dorp is bijna weggevaagd, er zit nog wel een dierenwinkel. De verkoopster staat consequent buiten, tussen de poezenhuizen, te roken. Of misschien is ‘paffen’ een beter woord, en niet alleen omdat het rijmt op ‘blaffen’. Ze werkt duidelijk niet voor de lol.

Als ik haar passeer, dat is bijna dagelijks want er leidt vanaf ons huis slechts een weg naar de Vomar en zij staat dus altijd buiten met telefoon en sigaret, ruik ik de tabaksgeur. Ik fantaseer er een tuinstoel, een krant, een kopje koffie, een balkon, een stad en een lentezonnetje bij. Dat waren soms heel gelukkige momenten, vroeger.

Gisteren glipte mijn oudste dochter (4) me voor de zoveelste keer uit de vingers. Ze galoppeert dan naar binnen, eerst naar de enorme plastic bak met een steeds meer uitdijende kluit cavia’s, een diersoort die zich bewonderenswaardig heeft aangepast aan de omgeving en het bestaan heeft teruggebracht tot het hoogstnoodzakelijke: consumeren en copuleren.

Dan door naar de vissen.

Zelf heb ik negatieve ervaringen met een aquarium vol tropische vissen dat we mijn ouders in de puberteit aftroggelden. Dagelijks dreef er wel een op zijn rug door het beeld. Dierenartsen rukten toen ook al niet uit voor stervende vissen. Ze schreven telefonisch druppeltjes voor waarvan het water diep donkerblauw werd. We druppelden net zo lang tot we ze niet meer zagen. Af en toe kwam er nog wel eens een bovendrijven, die spoelden we dan door de wc. Net zolang tot mijn moeder zei dat ze op waren.

Mijn dochter drukte haar vingertje tegen het glas en volgde een gele met zwarte strepen. Daar was de dierenwinkelmevrouw weer, aan alles was te merken dat ze eigenlijk nog lang niet was uitgerookt.

Hadden we er al eentje uitgezocht?

Want dat was de ongeschreven code als je met je vette vingertjes aan het glas zat. De dochter en ik deinsden ervan achteruit: met vingers aan glas komen is een van de ergste vergrijpen in ons dorp.

„Sorry mevrouw”, zei ik, „en we hebben niet eens een aquarium.”

Ze keek me vernietigend aan, met een blik van ‘heb ik daarvoor mijn sigaret uitgemaakt?’

Zo moet ik ook wel eens hebben gekeken in mijn kettingrookfase.

Ze pakte een fles Glassex en een doekje, wij slopen de winkel uit.

Ik heb even helemaal geen zin om nog naar de Vomar te moeten.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.