Recensie

Recensie Beeldende kunst

Was Rembrandt echt zo onaangenaam en spilziek?

Rembrandt Rembrandt zou spilziek zijn geweest en boven zijn stand hebben geleefd. Maar dat beeld klopt niet. Dat de schilder geen inkomsten had, was te wijten aan fiscale trucs.

Dit boek gaat nu eens niet over Rembrandts schilder-, ets- of tekenkunst, over trefzekere lijnvoering en clair-obscur, maar over harde guldens. Historicus Machiel Bosman probeert niets meer of minder dan Rembrandts financiële situatie te reconstrueren en zijn reputatie als een onaangenaam spilziek individu bij te stellen. Die heeft in de loop der eeuwen lelijke deuken opgelopen. Zo was daar zijn faillissement in 1656, het gevolg, zo wil het beeld, van een veel te ruime levensstijl. Door de koop van een te duur huis en de aanleg van een kunstcollectie had hij zich zo in de schulden gewerkt dat hij bankroet ging en onder curatele werd gesteld. En dan is er nog zijn dienstmeid, Geertje Dircx, de min van zijn zoon Titus. Zij was na de dood van Saskia van Uylenburgh in zijn huis komen wonen. Toen hij genoeg van haar had, zou hij haar ondanks een huwelijksbelofte onbarmhartig hebben weggestopt in een tuchthuis. Zo kreeg Rembrandt (1606-1669) in de literatuur een slechte pers waarbij woorden als ‘onbetrouwbaar’, ‘sjoemelaar’ en ‘autistisch’ niet werden geschuwd.

Bosman heeft alle relevante bronnen gewikt gewogen, opgeteld en afgetrokken. Hij pelde oude mythes en hypotheses af en komt vooral op het gebied van Rembrandts financiële handel en wandel tot een bijgesteld beeld.

15.000 gulden

In dit soms polemisch geschreven boek belandt de lezer in een wereld van juridische, fiscale en bestuurlijke regels waar Rembrandt mee te maken had. Die regels wijzen op een behoorlijk georganiseerde maatschappij, maar zijn niet altijd direct te volgen. De lezer moet zich dan ook verdiepen in het erfrecht, in de rol van boedel- en weeskamers in ‘brieven van cessie’ en in ‘akten van rehabiliteit’.

Bosman is van mening dat Rembrandt niet boven zijn stand leefde en evenmin spilziek was. In 1656 had hij schulden bij negen schuldeisers ten bedrage van ruim 15.000 gulden, maar uit niets blijkt dat hij onder druk stond om af te betalen. Het hebben van schulden was doodnormaal in deze tijd. In feite werden de meeste transacties betaald met schuldbrieven.

Gaf hij te veel uit aan zijn kunstcollecties? Hij was vermogend en kon zich dat permitteren. Was hij het slachtoffer van ‘verliesen geleden in de negotie alsmede schaden ende verliesen bij der zee’? Dat is niet aan te tonen. Rembrandt was insolvent en liet zich vrijwillig failliet verklaren en de vraag is of dat echt nodig is geweest. Dat is iets anders dan dat hij bankroet ging. Bankroet gaan was oneervol. Bij een faillissement leed men geen reputatieschade. De boedel van de gefailleerde werd geveild en de opbrengst kwam ten goede aan de schuldeisers. De gefailleerde mocht daarbij zoveel behouden als voor zijn direct levensonderhoud noodzakelijk was, maar alles wat hij meer verdiende ging naar de schuldeisers.

Fiscale truc

Rembrandts bezittingen werden in een reeks veilingen verkocht. Maar voor het zover was, was Titus’ aandeel in de erfenis van zijn in 1642 overleden moeder Saskia van Uylenburgh veilig gesteld. Hij kreeg de helft inclusief het huis en daar hadden de schuldeisers geen greep op. Dat faillissement was een truc om geld, goederen en zijn huis veilig te stellen voor Hendrickje, zijn zoon Titus en zijn dochter Cornelia. Daarom waren Rembrandt, zijn nieuwe vriendin Hendrickje Stoffels en zijn zoon Titus erbij gebaat dat Rembrandt niets verdiende. Hij werd niet onder curatele gesteld. Hendrickje en Titus richtten samen een bedrijf op dat Rembrandts zaken regelde. Zij werden zijn zaakwaarnemers. Inkomsten die hij genereerde gingen naar dit bedrijf en niet naar hem en zo kregen zijn schuldeisers geen vat op hem. Hij bleef gevrijwaard van afbetaling omdat hij niets verdiende. Hendrickje en Titus regelden zijn zaken en beschikten over een aardig vermogen zonder schulden. De truc slaagde gedeeltelijk omdat uiteindelijk Rembrandts huis toch verkocht moest worden.

Ontspoorde levensstijl

Geertje Dircx werd in 1650 opgenomen in een tuchthuis. Bosman constateert dat zij daar niet op Rembrandts verzoek belandde, maar op dat van haar familie en wel vanwege ‘een ontspoorde levensstijl’. Volgens Bosman was er van Rembrandts zijde van kwade wil geen sprake, althans dat valt niet te bewijzen. Maar hoe het precies zat, daar komt ook hij niet uit in dit interessante boek waarvoor knap speurwerk is verricht, maar dat hier en daar wel erg compact geschreven is. Voorlopig blijft het beeld in stand van een weinig toeschietelijke man, die zich bewust was van zijn eigen genialiteit en lak had aan het ordentelijk regelen van zijn aardse zaken. Daar moesten Hendrickje, Titus en een legertje voogden, advocaten en notarissen maar voor zorgen.