Waar komt de traditie van vuurwerk vandaan?

Vuurwerk Vuurwerk is een eeuwenoude traditie. Tot nu toe hebben verboden weinig uitgehaald.

Klanten doen inkopen bij ProPyro Vuurwerk, tijdens de eerste dag van de vuurwerkverkoop. Nederlanders reizen de grens over om vuurwerk in te kopen in Duitsland, waar het doorgaans goedkoper is.
Klanten doen inkopen bij ProPyro Vuurwerk, tijdens de eerste dag van de vuurwerkverkoop. Nederlanders reizen de grens over om vuurwerk in te kopen in Duitsland, waar het doorgaans goedkoper is. Piroschka van de Wouw/ANP

Reeds de Germanen hielden van herrie tijdens de jaarwisseling. „De overgang van Oud naar Nieuw is de oudste traditie van Nederland”, zegt etnoloog Peter Jan Margry. „Vuurwerk is een van de weinige tradities die is terug te voeren op de Germaanse cultuur.” De festiviteiten, die volgens de overlevering dertien dagen duurden en voortkwamen uit blijdschap over het weer lengen der dagen, staan bekend als het Joelfeest, en het moet er liederlijk aan toe zijn gegaan. „Er werden dan talrijke offers geslacht, en bij elk offer werd een maaltijd aangericht, en bij elke maaltijd gedronken, en elke dronk wekte nieuwe vrolijkheid”, schrijft de negentiende-eeuwse historicus Jan Ter Gouw in 1871 in zijn boek De Volksvermaken.

Het luidruchtig vieren van de jaarwisseling is een lastig uit te roeien rite de passage; de geschiedenis is rijk aan verboden die weinig hebben uitgehaald. „Lawaai maken tijdens Oud en Nieuw is van oudsher bedoeld om een onzekere overgang auditief te markeren en daarmee te vergemakkelijken”, stelt cultuurhistoricus Gerard Rooijakkers. „Eeuwen voor de introductie van het consumentenvuurwerk werden in Nederland al geweren, donderbussen en tafelkanonnetjes afgeschoten. Vooral op de eerste dag van het nieuwe jaar werden er veel schoten gelost voor het huis van de adel of van andere gezagsdragers. Die gaven dan een fooi. De ironie is dat, waar het gedrag tijdens de jaarwisseling tegenwoordig vooral het gezag wil ondermijnen, het knallen destijds gold als eerbetoon aan het gezag.”

‘Hartjesdag’

Het afsteken van vuurwerk geldt in Nederland sinds vier jaar als immaterieel erfgoed. Eeuwenlang hebben wij lawaai gemaakt, gezongen, kerkklokken laten luiden, zijn we verkleed langs de deuren gegaan, en hebben we huizen ongevraagd betreden. Vuurwerk was vanaf de dertiende eeuw uit China naar het westen gekomen en werd in de eeuwen daarna vooral afgestoken bij koninklijke of keizerlijke bezoeken en militaire overwinningen. Later kon ook de burgerman zich vuurwerk permitteren. In Nederland waren vanaf het begin van de negentiende eeuw twee vuurwerkfabrieken actief: Kats in Leiden en Schuurmans in Leeuwarden. Het radioprogramma OVT liet onlangs een fragment horen van een verslag van ‘Hartjesdag’ in 1933, een in onbruik geraakt verkleedfeest in Amsterdam waarbij veel vuurwerk werd afgestoken. „Geld om te eten heeft men misschien niet, maar geld voor vuurwerk heeft men in overvloed”, meldt de verslaggever tijdens een kabaal van jewelste.

Lees ook: ‘Met een verbod op vuurpijlen en knalvuurwerk los je niets op’

Het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling nam in Nederland pas na de Tweede Wereldoorlog een vlucht, met name door de migratie van Indische Nederlanders. Die hadden veel ervaring met vuurwerk, dat in de Oost vooral door Chinezen werd afgestoken. Ook daar waren de nadelen bekend; zo meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant in december 1926 een verbod in Indië. Niet alleen is het geknal een „bedenkelijke ontaarding van het vroeger zo onschuldige vuurwerkgenot”, ook kunnen er bomaanslagen mee worden gepleegd, meldt de NRC.

In de jaren vijftig en zestig explodeerde, zogezegd, het gebruik van vuurwerk. In 1955 vraagt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de regering „een duidelijk verbod tot het verkopen en afsteken van klein vuurwerk uit te vaardigen”, aldus een kort bericht in de Volkskrant. Reden: „Alleen al in Zwolle hebben zich rond de jongste jaarwisseling 88 mensen onder medische behandeling moeten stellen wegens verwondingen, die zij opliepen bij het afsteken van vuurwerk.”

In de jaren zestig deed het goedkope Chinese knalvuurwerk zijn intrede. Het werd massaal aangeschaft. Daarmee namen ook de bezorgdheid en de verontwaardiging toe. Een schok ging door de natie bij nieuws over het lot van een bekende quizmaster tijdens de jaarwisseling in 1964. Theo Eerdmans, die eind jaren vijftig met shows op de buis gerust bijna twee miljoen kijkers trok, had een bezoek aan zijn moeder in Rotterdam moeten bekopen met een „wel zeer merkwaardig ongeluk”, meldt het Leidsch Dagblad op de voorpagina. „Terwijl hij ergens hartelijk om lachte, vloog een stuk vuurwerk in zijn mond, dat door een ander werd weggeworpen.” Eerdmans werd naar het ziekenhuis gebracht. „Daar bleek dat het vlees aan de binnenkant van zijn wang was vernield.” Hij hield er naar het schijnt geen ernstig letsel aan over.

De eerste stevige overheidsmaatregelen dateren van de jaren zeventig en tachtig, en die betroffen het knalvuurwerk. Voor de kans op gehoorschade was in 1978 gewaarschuwd door TNO. „De overheid wordt in overweging gegeven vuurwerk dat meer dan 150 dB piekniveau produceert op 2 meter afstand te verbieden”, schrijft G.F. Smoorenburg in het rapport. „Het oplopen van een gehoorbeschadiging kan samengaan met oorsuizen of oorfluiten. In het algemeen bouwt een gehoorbeschadiging zich echter langzaam op. Wanneer men zijn handicap bemerkt is er niets meer aan te doen.”

De maatregelen hebben eigenlijk weinig uitgericht; nog steeds vallen er jaarlijks duizenden gewonden. De jaarwisseling is en blijft een volgens etnoloog Peter Jan Margry een „onduidelijke tijd” waarin de regels „als het ware even on hold worden gezet”. Margry: „Mensen grijpen de gelegenheid aan om dingen te doen die ze anders niet zouden doen. Als de overheid vervolgens ingrijpt in die onduidelijkheid, verzetten mensen zich, en krijg je confrontaties, zoals in Duindorp en Scheveningen. Mensen willen zich hun traditie, die ze individueel beleven, niet laten ontnemen.”

Lees ook: Meerderheid VVD- en CDA-burgemeesters wil vuurwerkverbod

De traditie mag dan een ritueel zijn, ongevaarlijk is dat ritueel niet. Etnoloog Gerard Rooijakkers: „We zijn niet gewend rituelen te associëren met geweld. Toch geeft een feest regelmatig aanleiding tot geweld. Geweld heeft veel feestelijke elementen in zich. Bij voetbalrellen wordt ook vaak vuurwerk aangestoken, met sluimerende onvrede als lont in het kruitvat. Het is heel opvallend hoe snel, in een paar weken tijd, het maatschappelijk draagvlak voor vuurwerk is teruggelopen.”