Recensie

Recensie Boeken

Laat hem verdrinken in dat ijskoude water

Tanguy Viel De Franse schrijver neemt je mee in het universum van een gewone man voor de rechter. Geleidelijk aan komt hij erachter dat hij door zijn eigen stommiteit zijn lot heeft bezegeld.

Ware literatuur heeft iets zeewaardigs, schrijft Tanguy Viel (1963) in zijn recente essaybundel Icebergs: die boeken zijn gemaakt om de zee te trotseren, haar ‘tot op zekere hoogte tegenwerking te bieden, doordat ze almaar de golven doorklieven, dan weer soepeltjes in het golfdal vallen, gewapend als ze zijn met onzichtbare buikstukken die ervoor zorgen dat de romp niet breekt.’ Het is een mooie metafoor van de Franse auteur die ook van toepassing is op zijn recent vertaalde roman Artikel 353 of het geweten van de rechter. Het boek ligt vanaf het begin goed op koers, op weg naar de ontmaskering van een oplichter, het beukt op de golven van onrecht en goedgelovigheid, het legt aan in havens van hebzucht en hypocrisie.

Op de eerste pagina’s halen twee mannen, aan boord van een dure Merry Fisher van negen meter lang, een korf uit de zee naar boven. Ze horen krabben en kreeften spartelen en timmeren op het traliewerk. Een moment later ligt een van hen in het water, hij slaat met zijn armen op zee, zwoegt zich een slag in de rondte, probeert met zijn kleren aan te zwemmen. De ander loopt de stuurhut in en geeft vol gas, het is vijf mijl naar de haven. ‘En ik voelde al dat zelfs de meeuwen, wit en kil als verpleegsters omdat ze nooit met hun ogen knipperen, dat zelfs de meeuwen het goed vonden.’ Zo zit je op het puntje van je stoel. Wie zijn die mannen, wat is er gebeurd, waarom laat de ene man de andere doodleuk ten onder gaan in het ijskoude water?

In de rest van het boek wordt dat zorgvuldig, in kronkels en krullen, uit de doeken gedaan. De verteller, de moordenaar, doet zijn verhaal aan de rechter, die alles wil weten, alle details over de aanloop, de achtergrond, de redenen van zijn daad. Als lezer hoor je de monoloog aan, net als de rechter, die nauwelijks iets zegt. Het procedé lijkt op De rode halsband (2015), de novelle van Jean-Christophe Rufin, waarin een man in de gevangenis zijn verhaal doet aan een rechter die hem dagelijks opzoekt. Ook hij wil het naadje van de kous weten, ook hij toont woordeloos empathie.

Net als Rufin schetst Viel het leven van een gewone man, vader van een zoon. De vader, een harde werker, wat goedgelovig en snel gevleid, wordt misleid door een gladde ondernemer: die zal dat ten dode opgeschreven dorp aan de Normandische kust wel eens nieuw leven inblazen. Hij maakt een maquette: hoge flats moeten er komen, een vakantieoord, een toeristisch centrum voor de rijken. Investeren maar, wie rijk wil worden stopt zijn spaarcenten erin! De helft van de dorpsbewoners legt zijn hele kapitaal in. Maar gebouwd wordt er niet, laat staan dat er toeristen arriveren.

De vastgoedspeculant blijft komen, koopt de boot die de verteller altijd zielsgraag had willen hebben. Ondanks alles lijmt hij hem met zijn praatjes: ‘zelfs als je niet eens meer naar de toekomst kijkt, daal je de treden van de wanhoop toch maar heel langzaam af’.

Zo neemt Viel je mee in het universum van een man die door zijn eigen stommiteit zijn lot heeft bezegeld, en die daar langzaam, aarzelend en steeds woedender achter komt. Dankzij Viels meesterlijke vertelkunst, uitstekend vertaald, vat je mededogen met hem op. Evenals de rechter. Want ‘er klopt iets niet, in dit leven is er iets verkeerd om’.