Recensie

Recensie

Een biograaf moet vooral meeleven

De biografie Voor het schrijven van een verantwoorde biografie is er nu dit speelse boek.

Het aantal biografieën is de laatste dertig jaar exponentieel gestegen. Tot voor kort waren de schrijvers ervan vooral journalisten en zzp’ers. Maar inmiddels is het een heuse academische discipline geworden, in toenemende mate door jonge academici beoefend.

Een van de Nederlandse promotoren van deze nieuwe golf van biografisch onderzoek is Hans Renders (1957), in 1998 zelf gepromoveerd op de dichter Jan Hanlo, een proefschrift waarin ook diens pedofilie en gedwongen castratie aan de orde kwamen. Vervolgens schreef hij een biografie van dichter Jan Campert.

Renders, sinds 2004 directeur van het Biografie Instituut aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft in de afgelopen vijftien jaar meer dan twintig biografieën als promotor begeleid. Het merendeel daarvan betreft figuren uit de politiek, het bedrijfsleven en de kunstwereld. Zijn beroemdste promovendus was ongetwijfeld de Brit Nigel Hamilton (1944), die in 2016 promoveerde op Franklin Delano Roosevelt, Commander in Chief: FDR’s Battle with Churchill, 1943. Hamilton genoot toen al wereldwijde bekendheid vanwege zijn Kennedy-biografie: JFK: Reckless Youth (1992).

Renders en Hamilton hebben nu samen een boek geschreven: Het ABC van de biografie. Het bevat 26 essays: één per letter van het alfabet. Zo gaat het hoofdstuk A over Autorisatie, hoofdstuk B over Biografie, hoofdstuk C over Compositie, enzovoorts. In hoofdstuk B schrijven de auteurs ‘We kunnen in ieder geval stellen dat biografie, evenals religie, een onderdeel is van de menselijke beschaving, maar dat zij, in tegenstelling tot religie, ook nauw verbonden is met de democratische samenleving.’

Waarom dat zo is komen we niet precies te weten, al verwijzen de auteurs naar de biografie ‘als uitdrukkingsvorm om onszelf en onze voorouders neer te zetten’. Maar is dit nu kenmerkend voor de democratische samenleving? Gaat het daar inderdaad om ‘de levensloop van echte mensen, historisch en hedendaags, belangrijk en onbeduidend’? Of gaat het de lezer van biografieën juist om ‘het grote verhaal’, zoals bij voorbeeld in Geert Maks De eeuw van mijn vader (1999)?

Onder de E van Ethiek trekken Renders en Hamilton van leer tegen biografieën met geen of gebrekkige bronvermelding: ‘Een slecht geheugen zorgt voor een goed geweten,’ schrijven ze over plagiërende biografen die ‘vergeten’ te verwijzen naar eerder onderzoek.

De opzet van het boek is speels en anekdotisch. De compositie garandeert een minimum aan systematiek. Daar staat tegenover dat de auteurs getuigen van een enorme eruditie en niet terugschrikken voor stevige conclusies. Het is aan de lezer om zich noch door het eerste, noch door het tweede te laten overdonderen. Wie daarin slaagt beleeft aan dit boek veel plezier en verrassende inzichten.

De hele westerse beschaving komt langs, vooral vanuit Angelsaksisch perspectief. Als echte academici stellen Renders en Hamilton tal van eisen aan de verwerking van het bronnenmateriaal en aan de methode van onderzoek. Zij slaan piketpalen om een wetenschappelijk verantwoorde biografie af te bakenen van de journalistiek en van de fictie. Tegelijkertijd schrijven zij: ‘Maar als de biograaf het vuur van het echte leven niet wil doven, maar het wil onderzoeken, dan moet hij zelf een test ondergaan: hij moet het leven in zekere zin meeleven.’ Zo is het maar net.