Zó bevrijd je jezelf van koloniaal denken

Essay Om je te bevrijden van koloniaal denken, moet je je het leven van anderen kunnen voorstellen en je geest dekoloniseren. De novelle Het behouden huis van Willem Frederik Hermans kan daarbij helpen, schrijft Manon Uphoff.

In 2005 werd ik gebeld door het Willem Frederik Hermans instituut. Of ik ervoor voelde om af te reizen naar Sint-Petersburg en aan de (Russische) lezer daar wat te vertellen over Hermans’ novelle Het behouden huis, waarover ik toen net een essay had geschreven. Ik zei ja en deed, eenmaal in Sint-Petersburg, mijn best zo veel mogelijk zinnigs te zeggen over deze in 1952 verschenen sinistere novelle waarin een naamloze soldaat, een partizaan, in de Tweede Wereldoorlog zijn intrek neemt in een villa, ergens in Midden-Europa, tot ook een Duits regiment zich aandient en zich inkwartiert. Verschillende partijen bezetten nu het huis, waarna de zaken gruwelijk uit de hand lopen. Aan het eind is het huis en alles wat zich daarbinnen ooit heeft bevonden zo goed als vernietigd. Ik sprak over de sardonische humor die door de schrijver bij het beschrijven van alle kille wederwaardigheden was ingezet.

Ik moest aan deze novelle denken, en aan mijn poging de Sint-Petersburgse lezers te overtuigen van het belang ervan, nu me gevraagd is na te denken over de dekolonisatie van de geest. Want die leidt onherroepelijk tot vragen over een kolonisatie, bezetting van de geest. Waaruit bestaat die? Kan je zo’n bezetting van de geest bestuderen? Is het mogelijk onze eigen geest te onderzoeken als die eenmaal ‘gekoloniseerd’ is, bezet is (geweest)? Onszelf van zo’n bezetting te bevrijden? Hoe? Bovendien, is het wel mogelijk om met ons eigen brein ons eigen brein te beschouwen? En hoe zit dat met de kolonisator?

We zouden een tweede hoofd moeten hebben, zegt de verteller in de novelle van Hermans, om te begrijpen wat dat ene hoofd is, maar we hebben er maar een.

Een vrije geest is die waar opvattingen en gedachten, ook die van anderen, zonder stremming kunnen stromen, waarin beweging is. Een geest met bewoners en talrijke gasten is niet erg. Wel ernstig is het als daarbinnen geen ruimte, geen echte plek meer is voor het ik om zich, in gesprek met die andere stemmen, te ontwikkelen.

Maar waar ligt de grens tussen een gastvrij brein, waarin sprake is van in- en uitstroom van gedachten, ideeën en emoties, en een geest die wordt bezet, overgenomen en ingevuld door anderen? Of waarin alle opvattingen over wat de wereld is, en wie die ander is, al zijn vastgelegd? De posities bepaald. De rollen voorgeschreven.

De novelle Het behouden huis bevatte een benadering en beschouwing van de werkelijkheid die niet exemplarisch is voor Hermans, maar er wel een is die hij als schrijver tot in de finesses heeft vastgelegd en uitgewerkt; een die vertrekt vanuit het ene hoofd, als nucleaire kern. Scheen de novelle ooit vooral een gruwzaam verslag van de waanzin en de grimmige lach van de oorlog, na herlezen lijkt vooral het getoonde failliet van het individuele denken erin centraal te staan.

De verteller in het verhaal is een jonge man, soldaat. Hij kan zich vermommen, verkleden als de ander, zijn eigen spiegelbeeld worden, uiteindelijk explodeert de boel, en dat is met een ijzeren logica meteen ook de implosie van het individu, van die ene mens waarin die hele onbegrijpelijke wereld zich heeft opgehoopt. Het laat zien waar de denkfout zit. Want steeds opnieuw wordt alleen dat hoofd, alleen het (eigen) denken ingezet. Hier treffen we de fatale vergissing van de bezetter, de kolonisator, de usurpator van de geest aan. Dat de hele wereld, met al het levende en eigene uit dit ene ik voortspruit. En door dit ene ik, denkend met dit ene (enige) hoofd, ingevuld en beheerst mag worden.

Hoewel ik de novelle van Hermans nog steeds meesterlijk vind, het is er een die me diep beïnvloed heeft, denk ik toch, steeds vaker, we hebben geen tweede hoofd van onszelf nodig, maar (eindelijk) het hoofd van een ander…

Vergelijking en contact met de geest van de ander is noodzakelijk, van levensbelang. Als wij onze hoofden en onze geesten niet met elkaar in contact kunnen brengen of met elkaar kunnen vergelijken, ligt waanzin eenvoudig op de loer. En gaat het niet om waanzin, dan wel om verbanning en verstikking. Bovendien, het is niet alleen door en met de taal dat onze geest wordt ingericht. Fysieke en zintuiglijke ervaringen en indrukken komen rechtstreeks tot ons, zonder tussenkomst van de taal, en zijn even belangrijk, en vaak blijvend. Een blik, een aanraking, een geur.

In De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog laat Svetlana Alexijevitsj – schrijver, onderzoeksjournalist, grootmeester in het weergeven van andermans stemmen – de kinderen aan het woord over zulke voortalige of niet-talige herinneringen. Het zijn volwassenen die terugkeren naar wie ze waren, zoals de zesjarige Zjenja Belkevitsj, nu arbeidster: ‘Ik heb lang niets gezegd, ik keek alleen. Daarna herinner ik me een zomer. Een prachtzomer. Een onbekende vrouw aait me over m’n hoofd. Ik begin te huilen en te praten… Ik vertel over papa en mama. Hoe papa wegging zonder om te kijken… hoe mama op de grond lag… hoe er kevers over het zand kropen…

De vrouw aait me over m’n hoofd. Dan besef ik dat ze op mama lijkt…’

Wanneer weten en beseffen we dat onze geesten bezet zijn? Of dat we de geest (en niet zelden ook het lichaam) van anderen bezetten? En op welke manieren? Wanneer is het eerlijk, waar en juist om te spreken over de kolonisatie van de geest?

Alleen wanneer we gedaantewisselaars worden, durven te veranderen, ons mentaal durven te verplaatsen, ons de vorm van het leven van anderen kunnen voorstellen en indenken, kunnen we dekoloniseren. Alleen als we weten wat ons perspectief werkelijk inhoudt kunnen we onze eigen geest bevrijden. Dat heeft een serie stappen nodig.

Een van die stappen bestaat uit het herstellen van de verbinding tussen daders en hun daden, tussen vertellers en de vertellingen die zij eenzijdig hebben geschreven, tussen machthebbers en het door hen uitgevoerde machtsspel.

Want nog maar al te vaak gaat het in processen van kolonisatie en dekolonisatie over wat we verbergen, verhullen en wat we openbaren in de verhalen die we over onszelf aan onszelf en aan de wereld vertellen. En hoe de wereld daarop reageert. In dit verband is de documentaire over O.J. Simpson, Made in America, uitermate verhelderend. Deze ruim zeven uur durende documentaire van Ezra Edelman, waarvoor hij een Oscar ontving, geeft voor het eerst het brede narratief, waarin alle andere, eerdere narratieven zijn vervat. Dat van O.J. de sportheld, O.J. de moordenaar, O.J. als de tot de witte samenleving toegetreden bewonderde uitzondering, O.J. de mishandelaar, O.J. de charmante man naar wie miljoenen mensen opkeken en die zij wilden zijn, O.J. in het door raciale spanningen verscheurde Amerika. O.J. de vrijgesprokene. En tot slot, als hij na een gewapende overval om zijn memorabilia terug te krijgen, een gevangenisstraf krijgt opgelegd die eigenlijk te hoog is (in reactie op het gebrek aan straf voor de moorden) en wordt opgesloten, begint het verhaal van O.J. over zichzelf. Dan wordt duidelijk dat hij zichzelf alleen kan zien als de held die ook de wereld in hem zag, en dat zijn eigen daden geen plek krijgen in zijn zelfbeeld.

Maar al te vaak ondersteunen we daders, makers van vreselijke geschiedenissen, in het dragen van hun masker. Overrompelend vond ik dit ene zinnetje van O.J. aan het einde van zijn proces. ‘Denk aan wie ik werkelijk ben.’ Hij bedoelt: O.J. de sportheld.

Dat is wat de onwillige maker vaak doet. Weigeren van het verhaal. En weigeren zichzelf als de maker ervan te beschouwen. O.J. Simpson, Michael Jackson, Harvey Weinstein, Jeffrey Epstein, in hun web of labyrint weven zij een verhaal dat hun slachtoffers maar hebben te ondergaan. Zij kneden het narratief. Zien zichzelf nooit als dader of geweldenaar, maar als weldoener, of zelfs als slachtoffer. Onterecht behandeld.

Ze dissociëren. En de wereld zit vol met zulke mensen, die het narratief voor anderen schrijven, zich vervolgens terugtrekken, het masker opzetten, de auteursrechten van de door hen geschreven geschiedenissen afwijzen. De dekolonisatie van de geest moet zich daar, bij hen, nog voltrekken.

‘But then I must have done a terrible thing’, zegt een van de mannen, Anwar Congo, in een andere, al even ingrijpende documentaire, The Act of Killing van Joshua Oppenheimer, als hij spreekt over zijn deelname aan de doodseskaders in Indonesië, na de omverwerping van Soekarno in 1965. Hij, destijds dader, heeft zojuist zonder enige schroom in de fictieve setting van de documentaire en zonder schuldbesef vooraf een van zijn doodgemartelde slachtoffers nagespeeld.

Daarna is er ontzetting. Hij breekt, hij braakt.

But then I must have done a terrible thing. Met grote ogen kijkt hij naar de documentairemaker. Het is deels een vraag, deels ontstellende constatering.

En het doek scheurt. En daarachter wordt de waarheid zichtbaar… in een overweldigend moment van werkelijk besef.

De schotten verdwijnen. De geest komt vrij, en het hele verhaal, in alle beweeglijkheid, wordt ontbloot. Hij heeft, voor een moment, in het hoofd, door de ogen en met de zintuigen van een ander geleefd.

Dit is een bewerkte versie van een essay uit de bundel De verovering van Jupiter. Over de dekolonisatie van de geest, die bij uitgeverij Jurgen Maas verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Winternachten internationaal Literatuurfestival Den Haag. Winternachten wordt gehouden van 15 t/m 19 januari op meerdere locaties in Den Haag.