Als liefde ook medelijden kan zijn

Psychologie Talen over de hele wereld kennen woorden die twee emoties uitdrukken. Maar welke emoties, dat varieert.

Illustratie Getty Images

‘Oenduh’ betekent ‘verdriet’ in het Perzisch, maar het betekent óók ‘spijt’ – twee emoties dus die met één woord kunnen worden aangeduid. Daarvan blijken er verspreid over de wereld wel meer te zijn, in allerlei varianten. ‘Verdriet’ wordt in een Dagestaans dialect (de Sirkhii-variant van het Dargwa) aangeduid met het woord ‘dard’. Maar dat betekent óók ‘angst’. ‘Verdriet’ in het Sirkhii heeft daarmee dus net een andere betekenis dan ‘verdriet’ in het Perzisch. Uit een grootscheepse analyse van de betekenisnuances van woorden voor in totaal 24 typen emoties in 2.474 talen (verdeeld over twintig taalfamilies) blijkt dat verschijnsel over de hele wereld voor te komen. En op basis van al die ‘dubbelwoorden’ konden mindmap-achtige kaarten worden gemaakt van de verschillende emotiewoorden.

Het fenomeen dat één woord meerdere begrippen kan aanduiden heet ‘colexificatie’ en komt natuurlijk niet alleen voor bij emotiebegrippen. Zo kan bijvoorbeeld het Russische ‘ruka’ zowel ‘arm’ als ‘hand’ betekenen. En in het Nederlands kan bijvoorbeeld ‘een vrouw’ iemand van het vrouwelijk geslacht betekenen, maar ook een echtgenote. De analyse van emotiewoorden is uitgevoerd door een team van taalkundigen en psychologen onder leiding van Joshua Conrad Jackson en Kristen Lindquist (beiden University of North Carolina, Chapel Hill) en is vorige maand in Science gepubliceerd. Wat opvalt is dat het woord voor ‘liefde’ in de Austronesische talen (uit de Stille Oceaan) nauw verwant is met ‘medelijden’. Maar in vrijwel alle andere taalfamilies staan in de geconstrueerde betekenisschema’s de woorden voor die twee emoties juist ver uit elkaar, met ‘medelijden’ dichter bij ‘angst’, ‘spijt’ en ‘boosheid’, en ‘liefde’ dichter bij ‘geluk’ en ‘vrolijkheid’. In de Tai-Kadai-taalfamilie (met onder meer het Thais) staat bijvoorbeeld schaamte relatief dicht bij angst, maar in de Nakh-Dagestaan-familie staat schaamte juist weer dichter bij afgunst en medelijden.

Biologisch of cultureel bepaald?

Het onderzoek van Jackson en Linquist past in een lang debat over de aard van menselijke emotie. Want is de type-indeling die we maken inzake emoties vooral biologisch bepaald, of zijn het toch eerder culturele constructen? Met hun huidige onderzoek proberen Jackson en Lindquist vooral de culturele verschillen te benadrukken. Want als de biologie bepalend is, zouden de emotiewoorden overal ter wereld dezelfde associaties moeten hebben, redeneren ze. En hoe meer nuances en verschillen tussen talen of taalfamilies in die associaties, des te sterker dus de cultuur medebepalend is. Uit het nieuwe onderzoek blijken ook universele overeenkomsten. Nergens ter wereld staat ‘liefde’ bijvoorbeeld erg dicht bij ‘haat’. Maar het onderzoeksteam van Jackson en Linquist heeft toch genoeg kleinere verschillen gevonden om te concluderen dat de culturele invloeden op de betekenis van emotiewoorden redelijk groot zijn. In een bepaalde statistische berekening is de culturele bepaaldheid van de emotiebetekenis zelfs twee keer zo groot als die van de woorden voor kleuren, die op dezelfde manier in kaart zijn gebracht. Over of kleuren overal ter wereld hetzelfde worden onderscheiden loopt ook al jaren een fel debat over culturele versus biologische invloed.

De onderzoekers lieten ook de samenhang tussen verschillende emoties in de ‘mindmaps’ beoordelen door een online panel van 200 mensen. Die moesten inschatten of die samenhang mede bepaald werd door vrij abstracte vaak door emotiewetenschappers gebruikte factoren, zoals ‘valentie’ (goed of slecht: als je medelijden ‘gunstig’ vindt, is het verband met liefde bijvoorbeeld best logisch), ‘zekerheid’ en ‘benadering-verwijdering’. Daaruit bleek dat alleen met ‘valentie’ en ‘activatie’ de verbanden tussen de emotiewoorden uit de mindmaps redelijk te voorspellen waren – een nogal nauwe universele basis voor de beleving van emoties, volgens Jackson en Linquist.

Lexicale gaten

De Utrechtse neurowetenschapper Jos van Berkum, hoogleraar communicatie, cognitie en emotie, reageert enthousiast én terughoudend op de conclusies in Science. Enthousiast: „Het is een mooi onderzoek en een originele manier om de relaties tussen emotiewoorden in verschillende culturen te onderzoeken. Het ziet er methodologisch zeer solide uit. Het bevestigt dat het landschap van menselijke emotionele ervaringen niet in elke cultuur op exact dezelfde manier met woorden in kaart wordt gebracht. Die culturele invloed was al bekend door het fenomeen van de ‘lexicale gaten’. Dat zijn emotieconcepten die in de ene taal wél benoemd worden maar in de andere niet.” Voorbeeld daarvan is het Duitse ‘Sehnsucht’, dat nauwelijks een parallel in andere talen heeft. Of het woord ‘awumbuk’ van het Baining-volk in Papoea-Nieuw-Guinea dat de lusteloze ervaring beschrijft die overblijft als leuke gasten zijn vertrokken na een logeerpartij.

In totaal verzamelde het team van Jackson en Lindquist in zijn database 156 woorden voor verdriet die óók nog een andere emotie konden aanduiden, afkomstig uit 562 talen (in veel verwante talen komen dezelfde combinaties voor). En voor bijvoorbeeld liefde werden 315 termen met meerdere emotionele betekenissen gevonden, verdeeld over 712 talen, voor schaamte 45, in 475 talen, enzovoorts. Van ‘goed’ werden de meeste colexificaties gevonden, 650 in 2.426 talen, van ‘zorgelijkheid’ de minste: vier, in acht talen.

Het is een originele manier om de relaties tussen emotiewoorden in verschillende culturen te onderzoeken

Jos van Berkum neurowetenschapper

Jackson en Lindquist noemen in hun artikel verrassend weinig concrete voorbeelden van emotiewoorden met meerdere betekenissen maar gelukkig is Van Berkum gaan speuren in hun openbare database, en met resultaat: „Ik ben één Nederlands voorbeeld op het spoor gekomen: ‘houden van’ dat de verschillende maar verwante emoties ‘love’ en ‘like’ kan betekenen, dus ‘liefhebben’ en ‘leuk vinden’. Ook kwam ik nog een mooi Duits voorbeeld tegen: ‘Sorge’, voor ‘anxiety’ én ‘grief’.”

En daarmee wordt ook de terughoudenheid van Van Berkum duidelijk. Want de emotieschema’s per taalfamilie zijn duidelijk genoeg, maar wie zoals Van Berkum de onderliggende database doorploegt wordt gewaar dat er ook weer niet héél veel emotie-colexificaties zijn gevonden. Van Berkum: „Mogelijk omdat er niet voor al die duizenden gebruikte talen uitputtende woordenlijsten bestaan met vertalingen voor álle woorden in die taal. Maar toch, neem de band tussen ‘anxiety’ en ‘grief’, een van de dikste lijntjes in hun centrale graphic. Angst en verdriet zijn centrale concepten waar taalkundigen en antropologen waarschijnlijk vaak naar zullen hebben gevraagd. Die woorden zullen in veel woordenlijsten voorkomen. En toch hebben ze in hun database van 2.474 talen slechts 17 talen gevonden die hetzelfde woord gebruiken voor die twee concepten. Dat lijkt me in zo’n grote database best weinig. Het is mooi en origineel onderzoek, maar de ‘emotielandkaartjes’ die eruit rollen, zijn getekend op basis van relatief bescheiden aantallen. Daar zou ik nog wel wat slagen om de arm willen houden.”

Wishful thinking

Maar de grootste terughoudendheid van Van Berkum betreft de grote conclusies over de culturele basis van de emotiebeleving. „De onderzoekers suggereren dat onze biologisch bepaalde en dus universele emotiesystemen veel minder rijk zijn dan veel mensen denken. Dus dat er géén aparte biologische systemen bestaan voor angst, woede, liefde, verdriet, enzovoorts, maar alléén een biologisch systeem dat zorgt voor positief versus negatief gevoel (valentie) en voor meer of minder activatie of ‘arousal’. Maar dát idee wordt niet door dit taalkundig onderzoek ondersteund, dat is echt wishful thinking van de onderzoekers.”

De onderzoekers suggereren dat onze emotiesystemen veel minder rijk zijn dan veel mensen denken

Jos van Berkum neurowetenschapper

Deze vergaande, door Van Berkum bestreden, conclusies over de culturele basis van de menselijke emoties passen in een wetenschappelijke campagne voor ‘cultureel constructivisme’ die Lindquist al jaren voert, samen met Lisa Feldman Barrett (Northeastern University, Boston) bij wie ze promoveerde. Hun pleidooi voor culturele invloeden op emotiebeleving keert zich tégen de ‘biologische school’ in het begrijpen van emoties.

Een belangrijke stap in de opmars van de ‘biologische opvatting’ was de formulering van zeven menselijke basisemoties (woede, angst, weerzin, geluk, droefheid, verrassing en minachting) door de psycholoog Paul Ekman, begin jaren zeventig. Sindsdien wordt er wel door veel psychologen van uitgegaan dat die emoties over de hele wereld min of meer hetzelfde zijn. Een belangrijk argument is dat de bijbehorende onwillekeurige gezichtsuitdrukkingen over de hele wereld worden herkend, ook in de diepe jungle van de Amazone en de geïsoleerde bergculturen van Papoea.

Debat over basisemoties

Maar er blijft veel debat, over het aantal ‘basisemoties’ maar ook over de vraag of ze überhaupt wel zo universeel en biologisch vastgelegd zijn. Met hersenonderzoek werd nauwe verbondenheid van specifieke emoties met bepaalde hersengebieden gevonden, zoals die van de amygdala met angst. Maar in een grote meta-analyse uit 2012 werd toch weer vooral vastgesteld dat met emoties in werkelijkheid altijd heel veel hersengebieden betrokken zijn en dat die vaak veronderstelde band vrij los is. Zo duidelijk is de ‘basisemotionele’ infrastructuur in het brein nu ook weer niet.

In veel analyses van emoties wordt tegenwoordig – in navolging van onder meer Antonió Damasio – een onderscheid gemaakt tussen emoties en gevoelens. Emoties zijn dan min of meer onbewuste fenomenen en betreffen de snelle veranderingen in het lichaam (zoals een hogere hartslag bij woede en angst) maar ook primaire gedragsmotivaties (willen aanvallen of vluchten). Gevoelens zijn dan de bewuste belevingen die daarbij horen.

Een emotie wordt dus pas bewust ervaren als het een gevoel is geworden – een onderscheid dat Jackson en Lindquist overigens niet maken in hun colexificatie-onderzoek. Van Berkum legt uit dat dat precies de zwakte is van het onderzoek van Lindquist en Jackson. „Per definitie gaat het bij hun woordenonderzoek over die bewúste emotie-ervaring, over gevoelens dus. Maar heel veel aspecten van emotie zijn onbewust. Denk aan onbewust fronsen of terugdeinzen. Die aspecten kan je met deze methode niet in kaart brengen. Daar is veel sterker bewijs voor nodig. Als je bijvoorbeeld naar andere diersoorten kijkt kun je al die verschillende emoties echt niet reduceren tot culturele invloed. Bij mijn eigen hond zie ik al duidelijk dat ook hij de trotse bezitter is van systemen voor angst, woede, verrassing en voor affectie. Dat die systemen door ‘cultureel contact’ zijn ontstaan, lijkt me onwaarschijnlijk. De typische reactie van woede als ik zijn etensbak op het verkeerde moment aanraak heeft-ie toch echt niet van mij geleerd.”