„Het eerlijke proces kan onder druk komen te staan”, zegt advocaat Ivonne Leenhouwers.

Foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Ik ben gewend om kritisch naar de tranen te kijken’

Interview | Ivonne Leenhouwers Als advocaat verdedigt Ivonne Leenhouwers al twintig jaar verdachten van zedendelicten. Ze pleit voor meer aandacht voor de belangen van haar cliënten. „Als de verdachte iemand is die je kent, heb je meer begrip.”

Een ambtenaar uit het midden van Nederland zit al anderhalf jaar thuis. Hij mag niet werken, omdat een vrouwelijk familielid aangifte deed van ontucht – seksueel misbruik terwijl zij minderjarig was. In haar verklaring zegt ze dat hij haar in een tijdsbestek van twee jaar op verschillende manieren heeft betast. Het Openbaar Ministerie besloot hem te vervolgen.

Advocaat Ivonne Leenhouwers stelt dat er sterke aanwijzingen zijn dat de aangifte vals is en dat haar cliënt – die alles ontkent – wordt beschuldigd van iets dat hij niet heeft gedaan. „Hij zit er helemaal doorheen.” Aanvankelijk sprak de rechter haar cliënt vrij. „Maar het OM gaat in hoger beroep, en dat betekent dat hij nog zeker een jaar niet verder kan met zijn baan.” Zijn werkgever wacht de rechtszaak af.

Leenhouwers verdedigt al twintig jaar verdachten van zedendelicten en hoort tot de meest ervaren specialisten op dit gebied. Het is haar werk om het verhaal van slachtoffers – zij noemt hen „aangevers” – in twijfel te trekken. „Spreekt ze, want meestal is de aangever een vrouw, zichzelf tegen? Heeft ze een motief om iemand onterecht te belasten?” Een ingewikkelde klus in een tijdsgewricht waarin slachtoffers in de rechtbank, en ogenschijnlijk in de maatschappij, in toenemende mate worden gesteund.

Nieuwe zedenwet

In mei vorig jaar kondigde minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) een voorstel aan voor een nieuwe zedenwet, die er dit jaar moet komen. In een Kamerbrief noemde hij de bestaande wet niet meer van deze tijd. Hij schreef over „gedrag dat in de samenleving sterker wordt afgekeurd dan voorheen, maar waarvoor de strafrechtelijke bescherming op onderdelen tekortschiet”.

In de nieuwe wet zou bij seksuele misdrijven niet dwang (van de dader) het criterium zijn bij een veroordeling, zoals nu, maar „seks tegen de wil” van de ander. Bedpartners hebben dan meer verantwoordelijkheid om die wil van de ander te controleren. Dat is onder meer relevant als het slachtoffer uit angst ‘verstijft’ of ‘bevriest’ en zich daardoor niet kan uiten of verzetten, en er geen sprake is van geweld.

Lees ook ‘Nee’ hoeft niet uitgesproken te zijn, volgens de wet die Grapperhaus in gedachten heeft

Na de Kamerbrief van Grapperhaus begon eind vorig jaar de overheidscampagne ‘Praat erover’, waarin slachtoffers op een website en in filmpjes en posters worden aangemoedigd hun verhaal te vertellen. Een stap vooruit voor het slachtoffer, maar Leenhouwers kijkt vanuit het perspectief van de verdachte. „Mijn cliënten kunnen tot een forse straf worden veroordeeld. Ze kunnen misschien nooit meer in de maatschappij functioneren, want een veroordeling in een zedenzaak betekent geen verklaring omtrent het gedrag [vog], geen vrijwilligerswerk, en in veel sectoren geen baan.”

Leenhouwers deed de verdediging van een man die werd verdacht van incest met twee dochters. „Later is hij volledig vrijgesproken. Dat hele proces bestreek inclusief het hoger beroep zo’n vijf jaar.”

De advocaat voelt soms het ongemak dat hoort bij haar rol, en bij het in twijfel trekken van het verhaal van het slachtoffer. Bijvoorbeeld als ze na een rechtszitting door de wachtkamer van de rechtbank loopt, er wordt gefluisterd en mensen boos haar kant op kijken. „Maar als de rechtszaak loopt, is er nog helemaal niet vastgesteld of iemand het slachtoffer is. Ik zou willen zeggen: er is ook een groep mannen slachtoffer, hun belangen staan óók voorop.”

Lees ook In Zweden is seks zonder duidelijk ‘ja’ een ‘nee’.

Geen onnodige vragen stellen

Leenhouwers, die sinds dit nieuwe jaar één dag per week de zedenwet bestudeert op de Rijksuniversiteit Groningen en de afgelopen jaren in expertgroepen meedacht over een nieuwe wet, ziet dat de bescherming van slachtoffers voortschrijdt. Zo mogen volgens Europese richtlijnen verdachten al voor de veroordeling ‘dader’ genoemd worden. „Die regelgeving schrijft ook voor dat kwetsbare slachtoffers niet vaker mogen worden ondervraagd dan strikt noodzakelijk. Je mag bijvoorbeeld geen ‘onnodige vragen’ stellen.”

Leenhouwers heeft al eens meegemaakt dat het slachtoffer, vanwege haar kwetsbare positie, niet door de verdediging mocht worden ondervraagd. Ze vreest dat dit in de toekomst vaker zal gebeuren. „Daardoor komt een eerlijk proces onder druk te staan.” Sinds 2016 mogen slachtoffers van ernstige misdrijven onbeperkt spreken in de rechtszaal, ze kunnen dan bijvoorbeeld zeggen welke straf ze vinden dat een verdachte moet krijgen.

Hoe meer je mensen uit de maatschappij verstoot hoe groter de kans is dat ze in herhaling vallen

Ook de aandacht voor slachtoffers die, bijvoorbeeld doordat ze kritisch worden bevraagd, zich opnieuw slachtoffer voelen, is relatief nieuw in Nederland, zegt Leenhouwers. Er zijn vragen waarop ze het antwoord naar eigen zeggen echt moet weten om te ontdekken of haar cliënt zich ervan bewust was dat hij fout zat. „Hoe heb je dan aan hem duidelijk gemaakt dat je het niet wilde? Hoeveel wijntjes heb je gedronken en is dat mogelijk van invloed geweest op je herinnering?”

Geen enkele nieuwe wet zal iets veranderen aan de moeilijke kwestie van het bewijs in zedenzaken. Meestal zijn er geen getuigen, en als een verkrachting niet gepaard is gegaan met geweld – zoals bij het gros van de zaken – zijn er geen relevante sporen. „Verkrachting klinkt als grof geweld, iemand die uit de bosjes springt, mes op je keel, dat soort dingen. Maar er zijn veel subtielere manieren van overwicht die ook onder verkrachting vallen.”

Bekenden van het slachtoffer

De meeste verdachten zijn bekenden van het slachtoffer, en die complexe zaken komen bij Leenhouwers terecht. „Als de aangeefster zegt: ‘Ik lag erbij als een slappe vaatdoek, hij moet dus hebben gemerkt dat ik niet wilde’, kan de verdachte nog steeds zeggen ‘Nee hoor, ze heeft me terug gezoend’. Het is dan nog steeds het verhaal van de een tegenover dat van de ander.”

In zedenzaken gaat het meestal over de vraag of er überhaupt een strafbaar feit is gepleegd. „Er is geen lijk of gebroken autoruit.” Bij de uitspraak is het dan ook meestal alles of niets. „Krijgt hij 24 maanden of gaat hij vrijuit?”

Voor de rechtszaak van de ambtenaar die verdacht wordt van ontucht, onderzochten twee rechtspsychologen onlangs de betrouwbaarheid van de aangifte van het vrouwelijke familielid. Vermoedelijk onbetrouwbaar, concludeerde de één. Waarschijnlijk integer, zei de ander juist. Naar valse aangiften is in de loop van de jaren wel onderzoek gedaan, maar de bevindingen lopen uiteen. Als een aangifte te veel lijkt op een scène uit een Hollywoodfilm wordt het aannemelijker dat die verzonnen is, maar helemaal zeker is het nooit. Volgens recent onderzoek is één op de twintig aangiften vals.

Verstoting vergroot kans op herhaling

Een veroordeling heeft ook na het uitzitten van de straf verstrekkende gevolgen. „Als een jonge man een verkeerde keuze heeft gemaakt en een zedendelict op zijn naam heeft staan dan betekent dat: nooit meer conducteur, taxichauffeur, geen vrijwilligerswerk. En hoe meer je mensen uit de maatschappij verstoot hoe groter de kans is dat ze in herhaling vallen.”

Leenhouwers hoopt dat een nieuwe wet rekening houdt met de enorme gevolgen voor een veroordeelde, voor de rest van zijn leven. Op dit moment betekent iedere zedenveroordeling: nooit meer een vog. „Er moet worden bekeken of de vog-regeling kan worden aangepast voor mensen die jong zijn of voor een relatief mild zedendelict worden veroordeeld”, zegt Leenhouwers. Een mild delict kan zijn dat de dader had moeten merken dat iemand weinig respons gaf, maar daar niet op heeft doorgevraagd. „Zo iemand moet nog wel enig uitzicht hebben op een maatschappelijke carrière, al is het na behandeling, onder voorwaarden of met toezicht.”

„Ik begrijp de onderbuikgevoelens wel die bovenkomen als het gaat over zedenzaken, maar het wordt een totaal ander verhaal als de verdachte iemand is die je goed kent.” Dan pas zie je nuances, zegt Leenhouwers. „Als de verdachte iemand is die jij kent en waarvan je weet: dat is een goede knul. Mensen hebben dan meer begrip en zijn bereid niet meteen te oordelen. Misschien ligt het wel anders dan door het slachtoffer wordt beweerd. Of misschien heeft hij wel een misstap begaan, maar was het in zijn studententijd en heeft zijn onervarenheid en zijn jeugdige leeftijd ermee te maken gehad.”

Vraagt Leenhouwers zich bij vrijspraak van een cliënt soms af of er wél iets is gebeurd? „Ik moet er niet te veel bij stilstaan, want dan kan ik dit werk niet meer doen. Ik vraag de rechter om naar het bewijs te kijken en die oordeelt uiteindelijk.”

Leenhouwers heeft nooit overwogen om slachtoffers bij te staan. „Ik vind het juridisch minder interessant, het gaat vooral om het steunen en begeleiden en soms een civiele schadeclaim. Misschien is het voor mij ook geen optie meer ook omdat ik gewend ben om kritisch naar de tranen te kijken. Het verdriet kan heel echt voelen, maar dat betekent niet dat de beschuldiging waar is.”