Zijn klimtocht was eigenlijk waanzin

Klimmen Wayne Merry was een van de eersten die de loodzware El Capitan beklommen, zonder moderne middelen. Eind vorig jaar overleed hij. „Soms brak het touw al bij het ophangen.”

Wayne Merry rust tijdens zijn beklimming.
Wayne Merry rust tijdens zijn beklimming. Foto privécollectie Merry

Het is ruim zestig jaar geleden, maar Wayne Merry (1931) kon erover vertellen alsof het gisteren was: de eerste beklimming van de legendarische rots El Capitan, ‘Het Opperhoofd’, in Yosemite National Park in de Verenigde Staten. Merry en twee klimvrienden haalden in 1958 wereldwijd het nieuws door de bijna duizend meter hoge wand als eersten te bedwingen. De bloedstollende klim via de prominente ‘boeg’ in het midden van de wand, die bekendstaat als ‘The Nose’, kostte destijds 45 dagen. De rots spreekt nog altijd tot de verbeelding. Twee documentaires over El Capitan wonnen in 2018 grote filmprijzen: Free Solo en The Dawn Wall, over moderne klimmers en hun strijd tegen de wand.

Merry overleed vorige maand op 88-jarige leeftijd. Hij was een bescheiden man met een groot hart en een scherp gevoel voor humor. Ik leerde hem kennen toen ik anderhalf jaar in zijn Canadese bergdorp Atlin woonde. Dit voorjaar sprak ik hem uitgebreid over zijn beklimming van The Nose.

Onbeklimbaar

„In 1958 – hou je vast, dit is oeroude geschiedenis – bestond rotsklimmen nog helemaal niet als sport”, begint hij zijn verhaal. „Als je zei: ik ben rotsklimmer, dan wist niemand waar je het over had.”

Als ranger in Yosemite raakte Merry bevriend met klimmer Warren Harding. Die opperde het plan om samen The Nose te beklimmen. The Nose stond bekend als onbeklimbaar, maar Merry had er wel zin in. In 1957 begonnen ze met het uitstippelen van de route. Deze fase zou uiteindelijk achttien maanden duren. Merry: „Het is alsof je een kasteel gaat bestormen. Heel intimiderend.”

De sterke, lichte touwen die klimmers nu gebruiken, bestonden destijds nog niet. „Bovendien hadden we niet veel geld”, zegt Merry. „Wij gebruikten gewoon henneptouw. Soms brak het al terwijl we het ophingen. Ja, misschien waren we wel een beetje knettergek.”

Ze hadden ook geen waterdichte kleding, drinkflessen of lichtgewicht klimspullen. Hun uitrusting haalden ze in een ijzerwarenwinkel die spullen verkocht uit de Tweede Wereldoorlog. „We wisten niet zeker hoe stevig alles was, maar het zag er redelijk goed uit. Het was wel loodzwaar.” Ze kochten touw, legerlaarzen, haken en bouten, plus metalen vloeistofflessen. „Het water dat we daaruit dronken, smaakte een beetje naar benzine.” De rest van de spullen haalden ze bij de vuilnisbelt. Bijvoorbeeld een ijzeren staaf met een gat erin: die kon je in een rotsspleet rammen, om er daarna een touw doorheen te halen. „Dat noemden we een kachelpoot”, zegt Merry, hartelijk lachend, „want dat is precies wat het was.”

In de nazomer van 1958 waren Merry en Harding tevreden over de route. Langs die route bevestigden ze in iets meer dan een maand vaste touwen en haken. Ze werkten in kleine etappes van telkens een paar dagen, waarbij ze overnachtten op rotsrichels, of hangend in hun klimgordels, met een slaapzak om zich heen geslagen. „Op een dag – we waren ongeveer halverwege – ontdekte ik een rat die aan mijn slaapzak zat te knagen”, vertelt Merry. „Op vijfhonderd meter boven de grond!”

Het team bestond uit vier klimmers. George Whitmore en Rich Calderwood klommen continu heen en weer, soms drie trips op een dag, om nieuwe spullen op te halen en om alles steeds een basiskampje hoger te tillen. Intussen zetten Merry en Harding het vervolg van de route uit. Calderwood haakte halverwege af. Merry: „Ik geef hem geen ongelijk. Zij tweeën hadden verreweg de zwaarste taak. Honderden kilo’s hebben zij die wand op gesleept.”

Merry en Harding waren om de beurt ‘voorklimmer’, degene die de zekeringen in de rotswand aanbrengt terwijl de ander hem van onderen zekert. De voorklimmer heeft een touw aan zijn gordel, dat hij steeds een stukje hoger door een nieuwe haak heen haalt. De ‘naklimmer’ staat op een richel daaronder, of hangt zelf ook in de wand, en zekert het touw via zijn gordel.

De rotswand was niet overal even stevig. „Er zaten hele plakkaten op die zomaar konden loslaten”, zegt Merry. „Als je op de wand klopte en het klonk hol, wist je dat de boel ieder moment naar beneden kon komen.” Dagen waren ze bezig om pinnen in spleten te slaan en bouten in de rots te boren. „Daar zaten pinnen bij waar ik nu niet eens een foto aan zou durven ophangen.”

Wayne Merry in zijn jongere jaren, Foto privécollectie Merry
Wayne Merry in zijn jongere jaren. Rechts: Leon Diependaele en Job van Hemert poserend voor The Nose,
Foto’s privécollectie Merry/Leon Diependaele

Na ruim een maand hing alles op zijn plek. Het was tijd voor de final ascent: de ultieme poging om de hele route in één keer te klimmen. Die klim zou twaalf dagen duren. Naarmate ze hoger kwamen, stroomde het dal verder vol met publiek en journalisten. Een vliegtuigje maakte foto’s voor The New York Times. „Op een gegeven moment was ik mijn behoefte aan het doen in een papieren zak”, vertelt Merry. „Toen ik naar beneden keek, naar de mensen daar ver in de diepte, zag ik opeens iets glinsteren in de zon. Zou dat een telescoop zijn? Ik zwaaide even, en iedereen zwaaide terug.”

Tijdens die ultieme klimpoging moesten ze al hun eten zelf meenemen. „We dronken hooguit een halve liter per dag”, zegt Merry. „Dat gruwelijke moment dat je om vier uur ’s morgens wakker wordt met je tong tegen je gehemelte geplakt… Ik weet nog goed hoe ik heb gevloekt toen ik een beker water omgooide.”

Brandwonden

De zomer liep ten einde. De klimmers raakten ’s nachts doorweekt door de regen en de sneeuw. Het was nu of nooit. „Ons eten was op, we hadden alleen nog wat chocola”, vertelt Merry. „Mijn hamer was gebroken, ik had een gekneusde duim en brandwonden van het touw. Er was nog één laatste lastig stuk. De wind stak op en het werd avond. ‘Wij maken die wand af, of de wand maakt ons af’, zeiden we tegen elkaar. Een geweldig voorbeeld van koppige vastberadenheid.”

Aan de achterkant van El Capitan loopt een wandelpad omhoog naar de top. Vrienden hadden die route genomen om het drietal op te wachten. „Zij dachten dat we aan het doodgaan waren”, zegt Merry. „Dus ze riepen: ‘We hijsen jullie op! Dan kun je een warme maaltijd eten en in een warm bed slapen, en dan maak je het morgen af!’ Ik zal hier nu niet herhalen wat Harding toen terugriep, maar fraai was het niet. Stel je voor, je bent bezig met het hoogtepunt van je leven, en dan komen je vrienden het verpesten!”

Wayne Merry in 2016. Foto Manu Keggenhoff

Ze klommen door, Harding voorop, tot het licht werd. „Toen kwam daar opeens die uitgelaten kreet van over de rand. Even later stonden we boven.” Daar wachtten hordes journalisten, vrienden, familieleden en Merry’s verloofde Cindy, die vóór de klim zijn verloofde nog niet was, maar die hij onderweg ten huwelijk had gevraagd via een briefje dat hij in een blikje naar beneden had gegooid. „Ze zei ja”, vertelt hij glunderend, „en nu zijn we zestig jaar verder.”

De moraal is, zegt Merry, dat je soms toch het onmogelijke kunt doen, als je het maar hard genoeg probeert. „Sindsdien is het nog zo vaak gedaan, zo snel, zo mooi. Adembenemend. Moderne klimmers zijn professionele sporters. Wij waren dat niet. Wij trainden op rode wijn.”

Klimmen in Yosemite? Yosemite heeft een paar van de meest uitdagende klimroutes ter wereld. Beginners kunnen terecht bij de Yosemite Mountain School, opgericht door Wayne Merry. Voor klim- én wandelroutes: climbingyosemite.com