Opinie

Dit dagboek begint met een diplomatenvriend en eindigt met de dood van z’n dochter

Michel Krielaars

Een enkele keer koop ik een poëziebundel om me te laten meevoeren door de abstracte, persoonlijke verbeelding van een dichter. Zo las ik afgelopen week vol bewondering de debuutbundel De grom uit de hond halen van Iduna Paalman. Angst en pijn bezweren, zoeken naar liefde en vertrouwen, de veiligheid van een nieuw huis samen, ook al is het nog niet af, verwondering over het gedrag van je ouders, wat humor op zijn tijd, een zin als ‘Schuld hoef je niet meer te dragen, haar als kind te slapen leggen is voldoende’ – het gaf me nieuwe moed voor 2020.

Poëzie stichtte me nog meer in Zingen en creperen. Dagboek 2014-2017 van Benno Barnard. Net zoals in zijn eerdere Dagboek van een landjonker deelt hij zijn gedachten met je over het (literaire) leven en de dichters die hij bewondert. Kom niet aan T.S. Eliot, W.H. Auden, Pessoa, Gottfried Benn en Joseph Brodsky, lijkt hij op iedere bladzijde te zeggen.

Zingen en creperen, waarin hij vaak een paar dagen overslaat en nooit een exacte datum noemt, begint met alledaagse beslommeringen, zoals een bezoek aan een bevriende Britse diplomaat in Brussel die zijn talrijke anekdotes verlucht met citaten uit gedichten of een gesprekje met zijn Oekraïense ‘kuisvrouw’ die hem, als hij nog in België woont, een fles amberkleurige wodka cadeau doet en in een vijfvoetige jambe zegt: ‘Môssieu Benno trrouv wodka beaucoup lekkerrr!’. Het dagboek eindigt op 7 december 2017 met een gedicht over de dood van zijn 18-jarige pleegdochter Anna, die exact een jaar eerder bij een auto-ongeluk is omgekomen.

Naar aanleiding van haar overlijden schrijft hij indringend: ‘De dood is de enige manier om te weten hoeveel je van iemand houdt.’

Tegen die sombere vaststelling weegt Barnards gevoel voor humor op, vooral als hij het over het literaire circus heeft. Zo verbaast hij zich regelmatig over de toekenning van prijzen aan dichters die hij overschat of modieus vindt, terwijl zijn favorieten, jong en oud, het moeten bezuren.

Uit alles in dit heerlijke dagboek blijkt dat Barnard met poëzie leeft, alsof het niet zonder kan. Natuurlijk heeft dat te maken met zijn vader, de dominee-dichter Guillaume van der Graft, die in 2010 overleed. Hij is dan ook blij als hij in een bloemlezing een vroeg gedicht van hem aantreft, dat begint met: ‘Denk aan mijn naam wanneer ik dood ben,/ denk aan mijn naam maar roep mij niet,/ ik ben vergeten hoe ik heet.’

Halverwege het dagboek, in 2016, verhuist Barnard met zijn gezin naar een dorp in Sussex, waar hij als een eigentijdse John Betjeman het oerconservatieve landleven, de anglicaanse kerkgang bewondert en zich laat betoveren door de schoonheid van de ‘flirtende kathedraal’ van Exeter. Terwijl hij in alle godsdiensten tegelijkertijd ‘het grote dwaze kwaad’ ziet.

Ook doet hij mooie vondsten, zoals een overgebleven versregel van de Tsjechisch-Duitse Olly Komenda-Soentgerath (1923-2003): ‘Wir kommen immer einen Traum zu spät.’ Tien bladzijden verder volgen dan zijn herinneringen aan een reis naar communistisch Praag in 1976, waar hij vriendschap sluit met een kenner van de poëzie van Jaroslav Seiffert, die hij op zijn beurt met een opgedoken gedicht eert.

Voor Barnard is een gedicht een verbaal schilderij vol ideeën. Na het lezen van zowel Zingen en creperen als de bundel van Iduna Paalman besefte ik voorgoed zijn gelijk.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.