Recensie

Recensie Boeken

Murray ziet zichzelf als de norm – en laat dat nou precies het probleem zijn

Identiteitspolitiek Publicist Douglas Murray, geestverwant van Jordan Peterson, komt met een uitgesponnen klaagzang over identiteitspolitiek.

Twee deelnemers aan de LHBT-optocht in Bangalore, India, 2019.
Twee deelnemers aan de LHBT-optocht in Bangalore, India, 2019. Foto EPA

Identiteitspolitiek komt voort uit een zingevingscrisis, vindt Douglas Murray. God is dood, en de grote politieke theorieën van de vorige eeuw ook, dus wordt de zin gezocht in een nieuw allesomvattend idee, namelijk dat politiek en het individu zo ongeveer samenvallen. Want wat blijft er anders nog over, schrijft Murray in zijn nieuwe boek The Madness of Crowds, dan ‘rijk worden en zoveel mogelijk plezier hebben’ onder het gesternte van het liberalisme?

De diagnose van het westerse betekenis-vacuüm klinkt inmiddels bekend. Peter Sloterdijk had het in zijn boek Je moet je leven veranderen (2009) over het ‘metafysische dieet’ van de Europeaan, ‘terwijl de rest van de wereld zich onverstoorbaar tegoed doet aan de rijk voorziene tafels van de illusie’. Michel Houellebecq maakte het tot thema van zijn literaire oeuvre, bijvoorbeeld in Onderworpen, waar hij zijn hoofdpersoon na jaren van plichtmatige seks en bezorgsushi laat bekeren tot de islam. Thierry Baudet pleitte van de zomer in een essay over Houellebecq voor een terugkeer naar tradities en een ‘deliberalisering’ van het individu, dat weer ingebed moet worden in het verband van een familie of desnoods het christendom.

Sint Joris en de draak

Douglas Murray is Oxford-alumnus, publicist, zelfbenoemd ‘atheïstisch christen’ en lid van het ‘Intellectual Dark Web’, waar hij met gelijkgestemden als de Canadese YouTube-psycholoog Jordan Peterson de grenzen van de vrije meningsuiting verkent. In 2017 publiceerde Murray The Strange Death of Europe, waarin hij betoogt dat Europa zichzelf, na WOII te boven te zijn gekomen, alsnog kapotmaakt door een ‘existentiële cultuurmoeheid’ in combinatie met immigratie. Het boek werd een bestseller.

Wie verwacht dat Murray zich in zijn nieuwe boek, na het inleidende deel over de zincrisis, waagt aan een alternatief voorstel voor de woestenij van het consumentisme, wordt teleurgesteld. Wat volgt is een nogal uitgesponnen klaagzang over de manifestaties van identiteitspolitiek in vier hoofdstukken getiteld ‘Gay’, ‘Women’, ‘Race’ en ‘Trans’. Murray vindt dat de belangengroepen hun rechten een paar decennia geleden al wel bevochten hebben en dat zij zich nu roeren als ‘Sint Joris met pensioen’. Want Sint Joris zou zich niet kunnen neerleggen bij die ene overwinning op de draak, en slaat uit verveling nog wat met zijn lans in de lucht naar een imaginaire vijand.

12 Rules of Life van de in nieuw-rechtse kringen populaire psycholoog Jordan B. Peterson is meer een zelfhulpboek dan cultuuranalyse. Lees ook: Handboek voor de gemankeerde man

In het eerste hoofdstuk richt Murray zich op gays. Sinds de jaren zestig is homoseksualiteit niet meer strafbaar in het Verenigd Koninkrijk, dus Murray vraagt zich af waar die hele LGBT-gemeenschap nog goed voor is. Murray: ‘gays zijn – en zouden moeten zijn – als ieder ander.’ En dus niet, gaat hij verder, als degenen die zich ‘queer’ noemen, en ‘willen worden erkend als fundamenteel anders (…) om de orde waar gays in willen worden opgenomen, af te breken’. Waarom gays – of überhaupt iemand – ‘als ieder ander’ zouden moeten zijn legt Murray niet uit, behalve dan dat degenen die zich als ‘anders’ manifesteren het verpesten voor gays die naadloos opgaan in de maatschappij. Het anders-zijn vindt Murray, zelf openlijk gay, sowieso in alle vormen problematisch; ook adolescenten met roze haar bijvoorbeeld beziet hij met argwaan. Murray ziet zichzelf als de norm – en laat dat nou precies het probleem zijn van degenen op wie hij zijn pijlen richt.

Gay-boycot

Zijn probleem met identiteitspolitiek illustreert Murray met een anekdote over PayPal-oprichter Peter Thiel. Nadat die in 2016 zijn bewondering voor toenmalig presidentskandidaat Donald Trump uitsprak, werd hij door de gay-gemeenschap geëxcommuniceerd. Zijn politieke opvattingen strookten immers niet met die van de community. Dat is niet erg liberaal van de gemeenschap, maar wel te verklaren: als het aan de regering-Trump ligt wordt het ontslagrecht zodanig versoepeld dat iemand om zijn of haar seksuele voorkeuren kan worden ontslagen. Dus doen alsof die iets voor binnenshuis zijn, zoals Murray dat graag zou zien, of alsof ‘de draak van Sint Joris’ al is verslagen, is niet aan de orde.

Ook #metoo vindt Murray een uitwas; want waarom zou de maatschappij zich spiegelen aan Hollywood?

Op dezelfde wijze behandelt Murray achtereenvolgens feministen, anti-racisten en transgenders. Hij licht vooral de uitwassen van het identiteitsdenken uit, zoals professoren die aan universiteiten in de VS na een als kwetsend geïnterpreteerd woord door studenten werden gegijzeld en hun baan verloren. Ook #metoo vindt Murray een uitwas; want waarom zou de maatschappij zich spiegelen aan Hollywood, vraagt hij zich af, en een beweging beginnen vanwege Harvey Weinsteins ‘seksuele avances’ (nogal een eufemisme – Weinstein staat terecht vanwege een aanklacht van verkrachting)? Bovendien dragen vrouwen rokjes – Murray wil niet beweren dat dat niet mag, maar het moet wel worden benoemd, vindt Murray, de realist.

Warrig verhaal

De analyse komt tussen alle anekdotiek wat in het gedrang. Murray komt met een warrig en onuitgewerkt verhaal over ‘hardware’ en ‘software’, zijn begrippen voor ‘nature’ en ‘nurture’. Identiteitsdenken heeft volgens Murray geen wetenschappelijke basis omdat er bijvoorbeeld geen biologisch bewijs bestaat voor het trans-zijn. Dus vindt Murray de belangen van transgenders ‘onwetenschappelijk’. Aan de andere kant vindt hij ‘ras’ dan wel weer biologisch bepaald, geheel tegen wetenschappelijke bevindingen in die laten zien dat het concept ‘ras’ biologisch gezien nergens op slaat.

Het blijft volstrekt onduidelijk langs welke lijnen het politieke debat volgens Murray wél gevoerd moet worden. Dan weer meent hij zich te moeten baseren op wetenschap, dan weer vindt hij dat we onze ‘instincten’ over mannelijk- en vrouwelijkheid negeren. Murray besluit met de lauwe opmerking dat politiek een soort spel moet blijven dat ons humeur niet zou moeten bepalen, en al helemaal niet onze bron van zingeving kan zijn. Betekenis moeten we zoeken in vriendschap, familie en cultuur, vindt Murray. In een ideale wereld zou politiek inderdaad een soort hobby zijn. Maar dat kan alleen als je niet dagelijks, of direct met de gevolgen ervan wordt geconfronteerd.