Reportage

‘Mijn vader vond zichzelf geen held, maar hij was het wel’

75 jaar bevrijding Eddy de Wind overleeft als jonge arts het kamp in Auschwitz door „slim en op de juiste momenten moedig” te zijn. Hij beschreef zijn ervaringen in het boek Eindstation Auschwitz, dat nu opnieuw verschijnt. Zoon Melcher de Wind reist naar Polen in het voetspoor van zijn vader.

Melcher de Wind op de plaats waar de treinen aankwamen.
Melcher de Wind op de plaats waar de treinen aankwamen. Foto Roger Cremers

 

Januari 1945

Om drie uur in de nacht begint de gong te luiden en na een paar seconden is het hele kamp in rep en roer. Eddy de Wind, een jonge arts, bijna 29, en sinds september 1943 dwangarbeider in Auschwitz vanwege zijn Joodse achtergrond, trekt snel zijn kleren aan en haast zich naar buiten. Het vriest. Het sneeuwt. Uit alle Blocks ziet hij mannen naar de appèlplaats strompelen, de een nog uitgemergelder dan de ander. Hij denkt: het wordt dus toch evacuatie. Hij draait zich om en loopt terug naar de Krankenbau, de ziekenzaal, waar hij te werk is gesteld en houdt zich koest.

Aan het front in het oosten donderen de kanonnen, het Rode Leger is vlakbij, en al dagen discussiëren de gevangenen over hun lot. Gaan de Duitsers hen versneld uitroeien? Aan de Russen overdragen? Op transport stellen naar concentratiekampen in het westen? In het laatste geval zal Eddy er alles aan doen om niet mee te hoeven, want hij kan zo wel bedenken dat het God weet hoe lang marcheren wordt, door de barre kou, zonder eten, zonder schoenen. Dan is hij vrijwel zeker dood.

Eddy de Wind als student, kort voor de oorlog.

Om vijf uur in de ochtend ziet hij de eerste groepen gevangenen op pad gaan, bewaakt door SS’ers met machinegeweren. Beschermd door de chaos die is uitgebroken loopt hij naar het Block waar zijn vrouw gevangen zit, Friedel. Zij is 21 en verpleegster. Ze hebben elkaar in 1942 leren kennen in Westerbork. Daar zijn ze getrouwd. In Auschwitz zit ze tussen de vrouwen op wie medische experimenten worden uitgevoerd, door Doktor Mengele en Doktor Clauberg. „Friedel”, fluistert hij bij het openstaande raam. „Friedel, blijf zolang je kunt.”

Maar Friedel durft niet. „Nee, jongen, dat is veel te gevaarlijk.” Ze denkt dat iedereen die blijft zal worden afgemaakt.

„Luister naar me, Friedel.”

Een paar uur later wordt ze met geweerkolven het kamp uit geslagen en begint ze met de andere vrouwen uit haar Block aan de dodenmars. Kort daarvoor heeft ze nog een briefje naar Eddy weten te smokkelen: „Wees flink, eenmaal zien we elkaar terug.” En: „Daar komen ze al. Dag mijn ventje.”

Eddy de Wind wil zich met een paar kameraden verstoppen onder een enorme stapel vuile kleren in de kelder van de desinfectie, maar dan komt er een betere kans: ze sluipen het kamp uit en vinden een verlaten huisje waar ze zich kunnen verstoppen. Ze noemen het ‘No pasarán’. Later, als bijna alle Duitsers vertrokken zijn, keren ze terug en belanden ze midden in de plundering. De uitgehongerde gevangenen proppen zich vol met vlees uit blik en zuurkool van de SS. Ze drinken de flessen Poolse wodka leeg. Tegen de avond rollen de eersten halfdood over straat, brakend en aan de diarree. Eddy de Wind zal later bij de obductie van na de bevrijding gestorven gevangenen ontdekken dat hun darmwanden zo dun als perkament waren geworden. Zelf weet hij zich bij het vreetfestijn kennelijk te beheersen, want hij wordt niet ziek.

Wel neemt hij uit de voorraden een schrift mee en daarin begint hij, nog in het kamp, te beschrijven wat hij in anderhalf jaar heeft meegemaakt. „Hoe ver is het naar die wazig blauwe bergen?” Dat zijn de eerste woorden. „Hoe wijd is de vlakte, die zich uitstrekt in het stralend voorjaarszonnelicht?” Een dagmars voor mensen op vrije voeten. Onbereikbaar voor de ongelukkigen achter prikkeldraad en hoge muren, met op elke hoek een wachttoren.

 

Oktober 2019

„De blauwe bergen.” Melcher de Wind (58) wijst door het raampje van het vliegtuig naar het zuiden, waar de uitlopers van de Beskiden liggen, wazig blauw onder een stralende ochtendzon. Het is herfst, maar in Polen lijkt het zomer. Er worden temperaturen tot 25 graden voorspeld. „Met dit weer”, zegt Melcher, „zal Auschwitz een vakantiekamp lijken.” Op Schiphol heeft hij zich al verontschuldigd voor zijn soms wat al te cynische humor.

Hij is de tweede van de drie kinderen van Eddy de Wind, in 1961 geboren uit diens tweede huwelijk, en vandaag gaat hij voor de tweede keer naar Auschwitz. Een maand geleden was hij er voor het eerst, met zijn vriendin, om zich voor te bereiden op een week waarin hij met journalisten van over de hele wereld interviewafspraken heeft. Op 27 januari is het 75 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd en hij wil namens de familie Eddy’s diepste wens vervullen: de succesvolle publicatie van Eindstation Auschwitz, de titel van het schrift. Op de laatste bladzijden schrijft Eddy de Wind dat hij alleen wil blijven leven om de mensen te vertellen wat hij heeft meegemaakt en hen ervan te overtuigen dat dit echt gebeurd is. De literair agent tot wie Melcher zich begin 2018 wendde zag meteen de waarde ervan – een verslag van de gruwelen dat nog ín de buik van het beest geschreven is – en brengt het nu als een uniek en belangrijk boek op de markt. De agent, Paul Sebes, heeft de rechten inmiddels aan tientallen landen verkocht en verwacht, nou ja, hoopt, dat het nu wél door de hele wereld gelezen zal worden.

Want het is eerder geprobeerd, in 1946, toen Eindstation Auschwitz werd uitgegeven door uitgeverij Republiek der Letteren, en in 1980 nog een keer door uitgeverij Van Gennep, die kort daarna failliet ging. „Mijn vader was in 1945 al met het schrift naar Simon Vestdijk gegaan”, zegt Melcher in de taxi vanaf luchthaven Kraków-Belice. „Die zag ook meteen de waarde ervan, maar in de feeststemming van na de oorlog was er bij het grote publiek geen belangstelling voor. Alleen bij andere overlevenden kreeg het status, een cultstatus bijna.”

Hij knipt het slot van zijn kalfsleren tas open en haalt er een map met vergeelde A-viertjes uit. Het is de in 1945 uitgetikte tekst van zijn vader, met hier en daar een rood of zwart potloodstreepje van de corrector. Hij laat ook foto’s van het schrift zien – vlekkerig bruin, gerafelde randen – en zegt dat de SS’ers in dit soort schriften gewoonlijk de nummers van de voor de gaskamer geselecteerde Joodse dwangarbeiders noteerden. Het schrift zelf lag begin 2018 op een expositie in Madrid en ligt nu in het Museum of Jewish Heritage in New York.

In de feeststemming van na de oorlog was er bij het grote publiek geen belangstelling voor zijn boek

Melcher de Wind

Melcher de Wind, historicus en tentoonstellingmaker – hij bedacht Red Light Secrets, het prostitutiemuseum op de Wallen in Amsterdam – is een geoefende verteller en heeft zijn verhaal over Eindstation Auschwitz goed voorbereid. Hij wil graag benadrukken dat hij namens zijn moeder, zijn broer en zijn zus spreekt en dat ze er alle vier aan moeten wennen dat het schrift uit hun leven is getild. „Het is nu een kostbaar relict”, zegt hij bij het droppen van zijn bagage in zijn hotel in Oświęcim, Auschwitz in het Pools, „maar voorheen lag het gewoon bij ons thuis in de boekenkast.” Zijn zus heeft het wel eens op de fiets mee naar school genomen om het aan haar geschiedenisleraar te laten zien.

Lazen ze de inhoud ervan ook bij hen thuis? „Voor ons was dat toen te zwaar”, zegt Melcher aarzelend. „Mijn moeder heeft het alleen oppervlakkig gelezen.” Meer wil hij er niet over kwijt. Door het psychotrauma dat zijn vader overhield aan zijn kampervaringen, zegt hij, waren ze niet het gelukkigste gezin op aarde.

Zelf las Melcher het boek voor het eerst rond zijn achttiende, toen hij geschiedenis ging studeren. Er was bijna niets dat hij niet al wist, zegt hij. Zijn vader, psychiater en psychoanalyticus, gespecialiseerd in het concentratiekampsyndroom, transgenerationele traumatisering en seksuologie, had hem in de jaren daarvoor eigenlijk alles al verteld. „Als hij niet kon slapen”, zegt Melcher, „kwam hij bij mij op de rand van mijn bed zitten om over het kamp te praten. Hij deed het ook wel bij het biljarten, of als we in de auto zaten, altijd in situaties waarin we elkaar niet hoefden aan te kijken. In het toneelstuk waarin we thuis met elkaar gevangen zaten was mij de rol van luisteraar toebedeeld. Ik wilde hem helpen, troosten, pamperen”.

Pas jaren later, toen hij eindelijk wat afstand van zijn vaders verleden kon nemen en het verhaal herlas, zag hij dat het niet alleen over martelingen en vernederingen gaat, over de gekmakende willekeur van de selecties en de voortdurende doodsangst, maar ook over Friedel, zijn verlangen naar haar, zijn hoop. „Het boek”, zegt Melcher, „is ook een liefdesgeschiedenis.”

Bezoeker bij barak 3.Foto Roger Cremers

 

1916-1943

Een middenstandsgezin, Joods, niet gelovig of religieus. De ouders van Eddy de Wind hadden een paar goedlopende servieswinkels in Den Haag en lieten de opvoeding van Eddy, voluit Eliazar, geboren op 6 februari 1916, deels over aan kindermeisjes. „Een normale jeugd”, zegt Melcher. „Of nou ja, wat is normaal? Toen hij drie was stierf zijn vader aan een hersenziekte. Zelf lag hij een halfjaar in het ziekenhuis omdat hij een ketel kokend water van het aanrecht over zich heen had getrokken.” Eddy hield er grote littekens aan over op zijn borst en in zijn gezicht. Eddy’s moeder hertrouwde, en toen haar tweede man ook was gestorven, aan een hartinfarct, trouwde ze voor de derde keer.

Een slimme jongen, geliefd, geïnteresseerd in de wereld om hem heen. Met zijn vrienden discussieerde hij graag over Nietzsche, Freud, Marx en het communisme. Hij zeilde en speelde klarinet en saxofoon in een jazzband. Na de hbs was hij, als eerste uit zijn kringen, medicijnen gaan studeren in Leiden, en daar had hij een meisje leren kennen, een christelijk meisje, met wie hij zich later nog zou verloven. „Hij was de trots van de familie”, zegt Melcher. „Op een foto van een familiefeest uit 1933 staat hij in het midden.”

Als hij niet kon slapen, kwam hij bij mij op de rand van mijn bed zitten om over het kamp te praten

Melcher de Wind

Dan begint de bezetting, en na een halfjaar dwingen de Duitsers de universiteiten om Joodse medewerkers en studenten weg te sturen. Eddy studeert met de hulp van zijn docenten versneld af en is de laatste Jood die in Leiden zijn bul haalt. Hij vertrekt naar Amsterdam om in het geheim, bij zijn docenten thuis, de opleiding psychiatrie te voltooien. Hij woont op de Nieuwe Keizersgracht, aan de rand van de Jodenbuurt. Maar lang duurt het niet, want bij de eerste razzia die de Duitsers houden, op 23 februari 1941, ter vergelding van de dood van NSB’er Hendrik Koot, wordt hij gearresteerd. Koot, lid van de Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB, was omgekomen in een gevecht met Joodse en niet-Joodse verzetsstrijders.

Eddy wordt met nog ruim vierhonderd Joodse mannen afgevoerd naar een kamp in Schoorl. Na selectie gaan ze door naar Mauthausen, behalve Eddy en twaalf anderen die met succes weten te simuleren dat ze te ziek zijn voor transport. „Hij kon niet geloven dat hij werd vrijgelaten”, zegt Melcher. „Hij rende zigzaggend weg omdat hij dacht dat hij zogenaamd op de vlucht zou worden doodgeschoten.”

Hij duikt onder in Den Haag en krijgt een kans om met zijn verloofde naar Zwitserland te vluchten. „Een wonderlijk verhaal”, zegt Melcher, „want die vlucht mislukt doordat ze in Antwerpen het adres waar ze zich moeten melden niet kunnen vinden.” Misschien, denkt hij, ging zijn vader terug naar Nederland omdat hij zijn moeder niet in de steek wilde laten. „Ze hadden een heel goede en diepe band.” Volgens hem blijkt dat wel uit wat er vervolgens gebeurde. Nadat zijn moeder is opgepakt en naar Westerbork is gebracht, meldt Eddy zich vrijwillig om daar ook heen te gaan en te werken als arts. Zijn voorwaarde is dat zijn moeder niet op transport hoeft. Die belofte krijgt hij. Maar als hij in Westerbork aankomt, is zijn moeder al naar Auschwitz afgevoerd.

Een jaar werkt hij in het ziekenhuis in Westerbork, samen met Friedel, voluit Frieda Komornik, voor wie hij zijn verloving met het christelijke meisje verbreekt. Op hun trouwfoto uit mei 1943 zitten ze stralend naast elkaar achter een vaas bloemen, omringd door vrienden en collega’s uit het kamp. Ze brengen hun huwelijksnacht door in een met karton afgescheiden ruimte in de ziekenzaal – hun huis. Vier maanden later moeten ze naar Auschwitz, al had Eddy de garantie gekregen dat hij als arts in Nederland mocht blijven. Die bleek dus ook niets waard.

Treinwagon in het voormalige vernietigingskamp Birkenau. Foto Roger Cremers

 

Oktober 2019

„Het rare is”, zegt Melcher als hij door de poort – ‘Arbeit macht frei’ – het kamp betreedt, „dat ik niet eens weet of ik vorige keer in de barak van mijn vader ben geweest. Ik heb hier twee uur rondgelopen, maar ik heb tachtig of negentig procent niet gezien.” Ook deze keer zal hij het meeste niet zien, want hij durft nauwelijks om zich heen te kijken. „Ik wil wel een beetje heel blijven”, zegt hij bij Block 9, waar zijn vader sliep, met acht andere mannen in een kooi van 2 meter 40 bij 1 meter 95. „Ik hoef niet helemaal in puin”, zegt hij bij Block 10, waar Friedel was opgesloten en wachtte op haar beurt om onvruchtbaar te worden gemaakt.

Er zit maar tien meter tussen en in zijn boek beschrijft Eddy hoe handig hij erin werd om haar af en toe even te zien. En hoe roekeloos hij soms was. Op een dag wordt het bijna zijn dood. Een van de mannen die de experimenten uitvoeren, een miezerig ventje met magere beentjes in een te grote rijbroek, betrapt hem en noteert het nummer dat in Eddy’s arm staat getatoeëerd: 150822. De volgende ochtend moet Eddy naar Birkenau, het kamp met de gaskamers, drie kilometer verderop. De SS’ers plaatsen hem in een Bauhofkommando: onafgebroken stenen, bielzen en ijzeren balken sjouwen. En elke dag selecties wie mag blijven leven en wie niet. Na vijf weken weet Friedel hem eruit te krijgen door uitgerekend aan Mengele te vragen of haar man naar Auschwitz terug mag. „Volgens mijn vader”, zegt Melcher, „waren Mengele en de oudere SS’ers de grootste schoften van het kamp, omdat ze sympathiek en menselijk konden zijn. Ze wisten het verschil nog tussen goed en kwaad.” De willekeur waarmee ze dat inzicht toepasten maakte hen uiterst wreed.

Volgens mijn vader waren Mengele en de oudere SS’ers de grootste schoften van het kamp, omdat ze sympathiek en menselijk konden zijn

Melcher de Wind

Op de executieplaats aan de andere kant van Block 10 vertelt Melcher dat hij als kind eens aan zijn vader vroeg of er wel eens mensen levend uit de gaskamer waren gekomen. „Eerst gaf hij geen antwoord en toen vertelde hij over een groep Hongaarse kinderen die met een speciaal transport naar Auschwitz gekomen waren en na de gaskamer nog leefden. O, dacht ik, gelukkig, dus toch. Daarna zei hij: ze zijn levend verbrand.” Later las Melcher in zijn vaders schrift dat de SS’ers de Sonderkommando’s bij de gaskamers geen tijd hadden gegund om te wachten tot de kinderen dood waren. Na een paar minuten werden ze met lange haken naar buiten gesleept en in een greppel gegooid. Daar ging de fik erin. Een van de dwangarbeiders, Lotsi Mordechai, kon het niet langer verdragen en pleegde zelfmoord door erbij te springen.

Recensie artikel Eddy de Wind: Overleven

Melcher wijst in het voorbijgaan naar de ruimte waar de mannen zich voor hun executie moesten uitkleden, en daarna naar die voor de vrouwen. Middenin staat een wc. Hij loopt naar de bakstenen Stehbunkers van hooguit anderhalve kubieke meter waarin mannen voor straf ’s nachts werden opgesloten, met zes of negen tegelijk. Liggen, zitten of rechtopstaan was onmogelijk. „De volgende ochtend keken de SS’ers wie er nog leefden. En die moesten dan weer aan het werk.”

In de gaskamer van Auschwitz, die niet meer werd gebruikt toen de veel grotere gaskamers van Birkenau klaar waren, wijst hij naar de gaten in het plafond waar de blikken Zyklon B doorheen werden gegooid. Met het licht van zijn telefoon schijnt hij op de wanden. Zijn er misschien nog boodschappen van mensen in hun doodsstrijd te zien? In Birkenau, een uur later, loopt hij van de poort, waar de spoorrails vanaf mei 1944 eindigden, meteen door naar het monument tussen de in puin liggende crematoria. Hij gaat op de rand zitten, koestert zich in de warmte van de al laag staande zon, wappert ogenschijnlijk achteloos met zijn hand naar opzij en zegt dat „daar ergens” zo’n beetje zijn hele familie is vermoord. Dan wil hij naar de Judenrampe buiten Birkenau, het station waar de treinen tot mei 1944 arriveerden en de selecties werden gedaan. Hij wil er, zegt hij, iets over vertellen.

Het originele schrift waarin Eddy de Wind Eindstation Auschwitz opschreef.

 

1945-1957

Na het vertrek van de Duitsers bleef Eddy de Wind in Auschwitz achter met een paar duizend zieken, van wie de meesten zouden sterven. Een vrouwelijke arts uit het Rode Leger vroeg hem om te blijven tot degenen die niet stierven vervoerd konden worden. In zijn nawoord bij de heruitgave van Eindstation Auschwitz uit 1980 schrijft hij dat hij drie maanden allerlei medische handelingen verrichtte die eigenlijk boven zijn macht lagen, waaronder amputaties en operaties. Door de bonen en kip die hij at, de eieren en de room, kwam hij snel weer op gewicht en vanaf mei trok hij met de Russen mee naar Oekraïne om gewonde soldaten te helpen. Daarvandaan stuurde hij via het Rode Kruis een wanhopige brief naar Friedel, die haar nooit zou bereiken: „Mijn eenige Liefste, het is mijn eenig verlangen, dat jij zult leven en deze brief zult ontvangen. Ik heb zoo’n angst. Maar als je leeft, wees gerust. Weliswaar vrees ik, dat ik nog niet zoo 1, 2, 3 thuis zal zijn, maar dan zullen we elkaar toch eenmaal terugzien.”

Dan gebeurt het ongelooflijke. Op 24 juli 1945 komt hij na een reis via Odessa en Marseille aan in Enschede en als hij aan een medewerker van het Rode Kruis vertelt wie hij is, krijgt hij te horen dat kort daarvoor een mevrouw De Wind uit Auschwitz is aangekomen. Ze ligt vlakbij in het ziekenhuis. Dezelfde dag nog worden ze herenigd.

Maar nee, geen happy end. Nadat ze de bezittingen van hun vermoorde familieleden hebben verkocht, en de achterstallige belastingen hebben betaald, betrekken ze een huis in Amsterdam-Zuid, en daar maken ze elkaar zo ongelukkig dat ze uiteindelijk zullen scheiden. „Ze waren te erg geschonden”, zegt Melcher. „Mijn vader vooral psychisch, Friedel ook lichamelijk.” Ze lijdt aan tbc en kan geen kinderen meer krijgen. Ze blijft boos en verbitterd achter als Eddy in 1957 opnieuw trouwt met een niet-Joodse vrouw en aan een gezin begint.

De brief die Eddy de Wind in mei 1945 vanuit Oekraïne aan Friedel stuurde, maar haar nooit zou bereiken.

Ondertussen behandelt Eddy patiënten met een concentratiekampsyndroom en publiceert hij wetenschappelijke artikelen, het eerste in 1949, Confrontatie met de dood. Hij beschrijft daarin de zes zeer traumatiserende fasen waar nieuwelingen in het kamp doorheen gaan – het gescheiden worden van geliefden, het kaalscheren, het tatoeëren, het zien van de andere gevangenen in hun diepe ellende, het prikkeldraad onder stroom overal, de schoorstenen in de verte en de boodschap dat die rookpluimen de resten van hun vrouwen en kinderen zijn – en hoe de meesten daarop reageren: als verdoofd. Ze zijn stil en traag en begrijpen de hun toegesnauwde bevelen niet. „Die zijn snel dood”, schrijft hij. Anderen gedragen zich juist heel flink en lijken daardoor arrogant of brutaal. „Die zijn ook snel dood.” En dan zijn er mensen die in korte tijd een houding weten te vinden waardoor ze het wat langer volhouden: door zich erbij neer te leggen dat ze zullen sterven, en toch de vitaliteit te hebben om op kritieke momenten geen fouten te maken, zoals de aandacht trekken of een ongewenst antwoord geven.

Maar Eddy de Wind zal nooit beweren dat mensen het aan hun persoonlijke kwaliteiten te danken hebben als ze het kamp hebben overleefd. „Grootheidswaan”, schrijft hij in het artikel Psychische en sociale factoren bij traumatisering door oorlog en vervolging uit 1986. Overleven was „puur toeval”. Hij zegt in dat artikel ook dat je de kinderen van overlevenden de „gruwelijke realiteit van het verleden” niet kunt besparen. „Dat is een illusie. Kinderen hebben namelijk nog veel gruwelijker voorstellingen.”

Treinrails buiten Birkenau.Foto Roger Cremers

 

Oktober 2019

„Die wagon is hier voor de toeristen”, zegt Melcher terwijl hij er over een vriendelijk paadje langs bungalows en kinderspeelplaatsjes naartoe loopt. „De spoorbaan ook. Aangelegd voor de toeristen.”

Hij heeft het boek van de kunstenaar Hans Citroen en zijn vrouw Barbara Starzyńska over Auschwitz gelezen, Auschwitz-Osświęcim, en op de foto’s en plattegronden gezien dat de echte Judenrampe verderop ligt, vrijwel onbereikbaar door dicht struikgewas en hoog opgeschoten onkruid. Hij trekt zich er niets van aan en baant zich er met grote stappen een weg doorheen, ondertussen muggen en andere insecten van zich af meppend. Pas als hij tussen de rondzwervende stukken puin de verrotte resten van een houten perron ziet, blijft hij staan. Hij wijst naar de palen waarop voorheen de schijnwerpers zaten die Mengele en zijn collega’s moesten bijlichten bij het selecteren van de sterken en de zwakken. Links, rechts, links, rechts. „Hier begon de ontmenselijking van mijn vader. Wat hij daarover schrijft, dat vind ik een van de indrukwekkendste passages in zijn boek.”

Eddy wordt eerst naar de rij met de zwakken geslagen, omdat hij alleen maar oog voor Friedel heeft en geen antwoord geeft als hem wordt gevraagd hoe oud hij is. Daar staat hij dan, tussen de oude mannen, de blinden en gebrekkigen. Wat hun lot is, weet hij nog niet, maar hij voelt aan alles dat hij daar weg moet. Hij grijpt zijn kans als de Lagerarzt – de naam Mengele kent Eddy ook nog niet – wil weten of er artsen onder hen zijn. Hij springt naar voren met drie andere mannen, onder wie een Amsterdamse huisarts. Mengele vraagt aan hem wat voor ziekten er in Westerbork heersen en wendt zich geërgerd af als de huisarts iets over oogziekten begint te mompelen. Op dat moment zegt Eddy (‘Hans’ in het boek): „U bedoelt waarschijnlijk besmettelijke ziekten? Er waren sporadische gevallen van roodvonk, die een onschuldig karakter hadden.”

„Was er vlektyfus?”

„Nee, geen enkel geval.”

Daarop wendt Mengele zich tot zijn adjudant en zegt: „Die zullen we meenemen.”

Mijn vader was slim en op de juiste momenten moedig

Melcher de Wind

„Mijn vader”, zegt Melcher, „heeft vaak mazzel gehad.” Maar het was niet alleen maar mazzel, zegt hij ook. „Hij was slim en was op de juiste momenten moedig. Hij vond zichzelf geen held, maar hij was het wel.” Melcher wacht tot de trein aan de andere kant van de Judenrampe voorbij is, honderd meter verderop. De sporen daar zijn nog gewoon in gebruik. Zijn vader, vertelt hij dan, had in Westerbork de taak om te beoordelen wie op transport kon en wie daarvoor te ziek was. „Iedereen wilde ziek zijn, maar de trein moest vol. Voor iedereen die mocht blijven moest een ander op de lijst worden gezet.”

Na de oorlog waren sommige mensen die het overleefd hadden nog altijd boos op zijn vader. Waarom had hij hen of hun verwanten niet ziek gemeld? „Op zijn sterfbed kwam het allemaal terug”, zegt Melcher. „Hij had een hartinfarct gehad en in het ziekenhuis werd hij helemaal terug gezogen in het kamp. Het verraad dat hem ten deel was gevallen toen hij in Westerbork kwam en zijn moeder toch al weg bleek te zijn. De scène met Mengele en dat hij op het laatste moment in de goede rij terechtkwam. Het afscheren van zijn haar, over zijn hele lichaam. Het spiernaakt moeten wachten in de brandende zon. Het nummer dat hij in zijn arm kreeg. De stank van brandend mensenvlees. De dagelijkse selecties voor de gaskamer. Als er in het ziekenhuis iemand was overleden, dacht hij dat hij weer een dag kon doorleven. Het was echt verschrikkelijk.” Eddy de Wind stierf in 1987, 71 jaar oud.

Bezoekers in Auschwitz. Foto Roger Cremers

’s Avonds bij het eten in het hotel zegt Melcher dat zijn vader bij professor Bastiaans onder behandeling is geweest, een even beroemde als omstreden psychiater die claimde dat hij ook de zwaarst getraumatiseerde patiënten van hun kampsyndroom kon genezen, onder andere door hun lsd toe te dienen en hen te laten herbeleven wat ze hadden meegemaakt. „Het hielp mijn vader niet”, zegt Melcher. „In zijn wetenschappelijke werk zie je dat hij zelf uiteindelijk niet meer gelooft in de mogelijkheid van genezing. Hij gaat zich richten op de volgende generatie, de kinderen van de patiënten, en dan stelt hij vast…”

Hier hapert Melcher, want nu gaat het bijna over hem, en daar heeft hij geen zin in. „Ik wil niet tussen het verhaal van mijn vader en de lezers in gaan staan.” Maar okay, hij vindt het ook opmerkelijk dat zijn vader over de trauma’s van anderen schreef en nooit over die van hemzelf of zijn eigen kinderen. Zelfs Eindstation Auschwitz lijkt niet over hem te gaan: het is geschreven in de derde persoon. Ondertussen, zegt Melcher, gaat zijn vaders werk natuurlijk wél over hemzelf en over eh… ja, zijn eigen kinderen.

Dus wat te denken van ‘het geval Heinrich’ in het artikel Psychische en sociale factoren bij traumatisering door oorlog en vervolging uit 1986? Heinrich Rosenthal is het tweede kind uit een gemengd huwelijk van een ernstig getraumatiseerde Joodse vader en een niet-Joodse moeder uit een „veilig” en „geborgen” gezin. „Ik ben bang”, schrijft Eddy, „dat in zo’n gemengd huwelijk de ene partner de diep gewortelde angsten van de ander nooit zal begrijpen.” Hij citeert de Britse schrijver Rudyard Kipling: „Never the twain shall meet.”

Je gunt het jezelf niet om gelukkig te zijn als je vader zo ongelukkig is

Melcher de Wind

Over Heinrich schrijft Eddy dat hij een vriendelijke en openhartige indruk maakt en verbaal begaafd is. Maar zijn angst en opwinding zijn direct zichtbaar. Hij kan geen moment stilzitten en spreekt over spinnen zo groot als een voetbal. Hij is bang dat hij binnenkort zal sterven, zijn hart en ingewanden zullen verschrompelen. Hij wil graag een baby zijn, of juist een grote jongen, dan kan hij zijn broer afranselen. Heinrich is naar de dokter gestuurd omdat hij aan onbegrepen buikpijn lijdt en op school niet kan meekomen.

„Bij mijn vader”, zegt Melcher, „ging alles over de band van andere mensen. Hij fotografeerde en filmde veel, dan kun je door een lens kijken. Hij was secundair.” Dus? „Gaat het in het verhaal over Heinrich ook over mij.” Maar hoe precies, nee, daar begint hij niet aan.

Hij wil wel een verhaal vertellen van toen hij een jaar of vijftien was en op televisie naar een horrorfilm over zombies zat te kijken. Zijn vader kwam bij hem zitten en vroeg wat dat waren, zombies. „Ik legde uit dat het wezens waren die uit de dood waren teruggekeerd en toen raakte hij helemaal in de war. Hij liep de kamer uit. Pas veel later realiseerde ik me dat hij zichzelf als een zombie zag. Hij had de dood omarmd om door te kunnen leven en droeg het kwaad dat in hem was geslopen met zich mee.”

Dan vindt Melcher het mooi geweest. Het is half elf, zal hij de stad in gaan om zich te bedrinken? Nee, grapje. Hij neemt een paar wietdruppels en gaat naar bed. Morgenvroeg staat de NOS voor hem klaar en hij is een slechte slaper, altijd geweest. „Als kind was ik ’s nachts altijd waakzaam. Hoorde ik daar mijn vader op de gang? Had hij mijn hulp nodig? Een luisterend oor?” Van zijn vader loskomen en een eigen identiteit ontwikkelen, zegt hij, is voor hem heel moeilijk geweest. „Je gunt het jezelf niet om gelukkig te zijn als je vader zo ongelukkig is.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Hoe een uniek verslag uit Auschwitz 75 jaar onopgemerkt bleef

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.

Melcher de Wind loopt naar de plaats waar de treinen aankwamen.Foto Roger Cremers