Reportage

Strijkkwartetten: korte opera’s gespeeld op 16 snaren

Dudok Quartet Vier stemmen op zestien snaren kunnen een eindeloos universum bouwen. Eind deze maand is de Strijkkwartet Biënnale. NRC volgde een half jaar het Dudok Quartet.

Augustus

De eerste violiste zucht.

„Wil je deze passage even los doen?”, vraagt de cellist.

„Nee, ik ga niet alleen zitten aanmodderen.” Ze wrijft hard met een blauwe doek over de snaren.

„Het is allemaal te langzaam”, oppert de altiste.

Het Dudok Quartet belichaamt deze zomerochtend de wereld die musici dwingt tot dwalen en zoeken. In het strijkkwartet speuren vier musici naar betekenis en waarheid in alle uithoeken van de partituur en van zichzelf. Dagelijks sluiten ze zich urenlang op met hun noten tot de denkbeeldige muren verbrokkelen en de muziek zich als een landschap voor hen ontvouwt.

Lees hier onze handleiding: Hoe te houden van het strijkkwartet

Meer dan andere vormen lijkt het strijkkwartet een geheim dat moet worden ontraadseld, beaamt altvioliste Marie-Louise de Jong (27). Al kan dat nooit echt lukken, gelooft ze. Want bij ware mysteries worden de vragen alleen maar breder, talrijker en dieper naarmate de mens er verder in doordringt. Het strijkkwartet blijft een labyrint – niet toevallig de titel van een van hun voorgaande albums.

Vandaag keert het Dudok Quartet terug naar de bron, naar Joseph Haydn, de uitvinder van het genre in de tweede helft van de achttiende eeuw. De strijkers leggen op twee albums diens Opus 20 vast. „Deze stukken zijn zo doorzichtig dat musici zich nergens achter kunnen verschuilen”, zegt de Britse opnametechnicus Adam Binks. Daarom ook de worsteling deze ochtend, de zoektocht naar de kleur, de klank, het verhaal.

„Hier heb ik iets meer nodig”, echoot Binks’ stem diplomatiek door de luidsprekers in de opnamezaal.

„Is het saai?”, vraagt cellist David Faber (34).

De speakers zwijgen. De musici proberen het opnieuw, nu anders.

„Dit was een experiment”, zegt eerste violiste Judith van Driel (35).

„It didn’t really come off”, antwoordt Binks.

Een strijkkwartet kan wel democratie kennen, maar zuiverheid is een dictator

Marie-Louise de Jong, altvioliste

Het viertal beluistert de opnamen in de donkere kelder van de technicus. Na enkele minuten begint Faber met zijn vingers te knippen. „Dit is het tempo”, zegt hij. „Jullie moeten me meer opjagen.”

De musici ontzien elkaar en zichzelf niet in de urenlange zwerftocht door de muziek van Haydn. Diens ruim zeventig strijkkwartetten groeiden uit tot de mythologische voedingsbodem van het genre, mede door hun verhalende karakter.

Korte opera’s zonder woorden, noemt Faber de werken. „De dramatische lijnen liggen vast – hier een strijd, daar een liefdesduet – maar Haydn laat de musici vrij bij de invulling van de personages, de decors en de rekwisieten.”

„Metaforen zijn hierbij belangrijk, leerden we van Eberhard Feltz, een Berlijnse docent bij wie we regelmatig te rade gaan”, zegt tweede violiste Marleen Wester (35). „Neem het langzame deel van Opus 20, nummer 1.” Ze neuriet de melodie. „Vreemde muziek die nergens naartoe lijkt te gaan. Wat moesten we daarmee? Feltz schetste ons een beeld: een kleine boot met een slap hangend zeil, dat op de stroom traag door een paradijselijk landschap dobbert.”

Luister hier het „Illumina faciem tuam” van Gesualdo.

„Zo’n voorstelling geeft houvast”, vertelt altiste De Jong. „Plots ervaren we hoe we met zijn vieren hetzelfde avontuur beleven.”

„Elk akkoord”, beschrijft cellist Faber, „zorgt voor een andere lichtinval, geur of kleur. De muziek wordt zo een zintuiglijke gebeurtenis die elk concert kan verschillen: onze fantasie beplant de oevers de ene keer met het wit van lelies, en een andere avond met het geel van narcissen of het rood van rozen. Niemand die roept: ‘Hé, stond hier vorige keer niet een chrysant?’ Goede muziek is een krachtige vlucht van de verbeelding, gemaakt in het moment.”

We blijven samen zoeken naar een klank waarin zowel het individu als het geheel wordt gehoord

Judith van Driel, eerste violiste

„Alles kent een plek, een bedoeling en een richting bij Feltz”, besluit primarius (eerste violist) Judith van Driel. „Hij ziet in muziek een heelal met natuurwetten. Toonsoorten vormen daarin werelden op zich, met eigen sferen. Feltz geeft ons een kompas om door dat oneindige universum te zweven.”

Oktober

Ruim een maand later probeert het Dudok Quartet zich daadwerkelijk aan de zwaartekracht te onttrekken in ‘Waltzing (on the moon)’, een kort deel uit het Eerste Strijkkwartet van de jonge Nederlandse componist Peter Vigh. „Kun je het pizzicato agressiever spelen?”, vraagt hij altiste De Jong. „Of verlang ik iets wat het instrument niet kan?”

Ze knikt: het is mogelijk.

Vigh vergt het uiterste van de musici. „Hier zingen jullie, maar het moet meer spreken, klinken alsof jullie je ruziënd door een oerwoud worstelen.” Het deel heet niet voor niets ‘Quarreling’. „Jullie zijn echt allemaal boos op elkaar.”

„Dat zijn we anders nooit”, grijnst cellist Faber.

„Ik word er zo onrustig van”, zegt tweede violiste Wester.

„Het wordt pas echt leuk wanneer jullie elkaar onderbreken”, vindt Vigh. „En jij moet hier wat luider, Marleen.”

„Dat kan kloppen”, antwoordt Wester. „Ik speelde zonet helemaal niet, want ik was het spoor even bijster.”

„Zeg Peter”, onderbreekt primarius Judith van Driel, „die maten zijn praktisch ondoenlijk, maar dat is niet erg hè?”

„Je mag best een noot missen”, zegt Vigh.

„Als we het daar nou eerst op mijn manier doen”, stelt Faber voor.

„Dat deed ik”, verdedigt Van Driel zich.

„En daarna vragen we het gewoon aan de componist”, vervolgt de cellist. „Want die is hier.”

Met Haydn kunnen de strijkers niet praten over zijn strijkkwartetten, over de dialogen, de grappen en de onderliggende lagen, maar met Peter Vigh wel. Moderne muziek verbreedt hun wereld, stelt Wester. „Wisselen van tijdperken en componisten betekent het leren van nieuwe talen. En daarmee bewegen we ons ook weer makkelijker in de talen die we al kennen, in Haydn, Mozart en Beethoven bijvoorbeeld. Het strijkkwartet is een weg zonder einde, daarom bewandelen we hem ook.”

Zo’n elf jaar geleden begonnen ze op het Conservatorium van Amsterdam. „Er gaat van het genre een grote fascinatie uit”, zegt Faber. „Componisten lijken hun ziel nergens meer te openen dan in deze muziek. Dat gevoel hadden we allemaal wel eens ervaren. We wilden ontdekken hoe diep we konden gaan. Het was destijds geen definitieve keuze, maar na twee jaar merkten we dat de andere muzikale deuren achter ons in het slot waren gevallen, dat we de sleutels ervan hadden weggegooid.”

Elk akkoord zorgt voor een andere lichtinval, geur of kleur

David Faber, cellist

„Vier verschillende karakters kunnen in het kwartet samensmelten zonder zichzelf te verliezen”, vervolgt Van Driel. „Dirigent Jeffrey Tate vond het de meest volmaakte uitdrukking van menselijk gedrag. Dat beeld herken ik wel. We sparen elkaar niet, we eisen veel van onszelf en elkaar, maar we blijven samen zoeken naar een klank waarin zowel het individu als het geheel wordt gehoord. Soms geven we workshops aan bedrijven over wisselend leiderschap. Dat vormt de kern: niemand is de baas en iedereen is de baas. Het gaat om het vertrouwen dat je hetzelfde nastreeft. Daarbinnen kun je kritiek leveren zonder de verhoudingen te verstoren. Wat dat betreft kan het maatschappelijk debat een voorbeeld aan het strijkkwartet nemen.”

December

Op een verlaten bovenverdieping van een Amsterdamse kroeg sluit het Dudok Quartet het jaar af. Na enkele zeldzame vrije weken wacht eind januari dan de Strijkkwartet Biënnale. Het evenement werpt zijn schaduwen vooruit. Gisteren hebben ze zich met violist Shunske Sato, artistiek leider van de Bachvereniging, gebogen over eigen bewerkingen van barokcomponist Jean-Philippe Rameau. De honger naar kennis en nieuwe inzichten lijkt onstilbaar.

Het strijkkwartet is een weg zonder einde, daarom bewandelen we hem

Marleen Wester, tweede violiste

„Het gaat er bij strijkkwartetten niet om beter dan anderen te zijn”, zegt Van Driel. „Een belangrijke leermeester, Marc Danel, primarius van het Quatuor Danel, gaf ons de wijze les dat we moeten zoeken naar de beste versie van onszelf. Die opgave is al groot genoeg.”

Faber: „Want als we honderdtien concerten per jaar spelen, zijn we soms de slechtste versie van onszelf. Dat moeten we ook van elkaar accepteren, anders kunnen we beter ophouden.”

De Jong: „Zolang je maar uitgaat van iedereens beste bedoelingen.”

Faber: „Bij het beroemde Alban Berg Kwartet zag je dat de eerste violist Günter Pichler op den duur de anderen niet meer vertrouwde.”

Wester: „Hij vertrouwde vooral zichzelf niet, denk ik.”

Faber: „Dan begon hij na een concert de andere drie de huid vol te schelden.”

Van Driel: „Een typisch voorbeeld van een perfectionist die alles kapotmaakt.”

Faber: „We studeerden bij Pichler in Keulen. Hij gaf ons eerst een lijst adviezen met de toevoeging: ‘Volg deze op en jullie worden net zo succesvol als het Alban Berg Kwartet.’ Die bevatte praktische tips als: neem jezelf op.”

Wester: „ … en luister die opnamen ook terug.”

De Jong: „Sta in een repetitie niet te lang stil bij één specifiek probleem.”

Van Driel: „Laat soms een van de vier de docent spelen.”

Faber: „Heel nuttig. Maar op de lijst stond ook: ‘Bestudeer onze albums, want zo wil je worden.’ Dat is toch onzin. Hoe goed ook – en dat waren ze – waarom zou je ernaar streven een kopie te zijn? Het Alban Berg was vroeger het bestbetaalde kwartet ter wereld. Dat willen wij dan natuurlijk weer wel. Hahaha.”

Van Driel: „Het bewijst ook hoe moeilijk het is niet dogmatisch te worden als je iets moois wilt maken.”

Wester: „Je verlangt toch naar onweerlegbare methodes om …”

Van Driel: „Precies. Over zuiverheid hebben we als kwartet heldere ideeën, die niet voor discussie vatbaar zijn.”

De Jong: „Een strijkkwartet kan wel democratie kennen, maar zuiverheid is een dictator.”

Faber: „Over sommige zaken in het leven kun je nu eenmaal niet stemmen.”