Opinie

Haar huis moet leeg

Marcel van Roosmalen

Mijn moeder deed jaren vrijwilligerswerk in een kringloopcentrum in Arnhem. Ze sorteerde of prijsde artikelen en anders was ze ‘vliegende keep’, wat inhield dat ze van klant naar klant vloog om te assisteren. Toen ik ooit in Arnhem was, vanwege een boek over Vitesse, zocht ik haar daar op. Het gebouw van Omroep Gelderland zat om de hoek.

Hoe zij toen was: ze sleepte me van het ene naar het andere artikel.

„Kijk een scheerapparaat.”

„Kijk een koffer.”

„Kijk een multomap.”

„Kijk een diaprojector.”

„Kijk een boek over Spanje, je gaat toch weleens naar Spanje?”

Ik bleef maar zeggen dat ik niets hoefde, dat ik haar zoon was en geen klant, dat ik geen zin had om die troep naar Amsterdam te slepen, dat ik gewoon kwam voor een praatje, maar zij bleef maar doorgaan en stopte uiteindelijk bijna alles wat ze aanprees ongevraagd in een gele, leren koffer. Bij het afrekenen – ze rekende af met zichzelf – constateerde ze dat ze sommige artikelen toch te duur had geprijsd.

Daar stond ik dan met mijn koffer.

Ik vond het niet lief, daarvoor was ze nog veel te gezond. Het was vooral vermoeiend.

Daarna dronken we een kop koffie op een bankstel dat een paar dagen eerder nog in het huis van een bejaarde in Oosterbeek had gestaan.

„Opgehaald door ons”, zei mijn moeder. „Die vrouw kon niet meer thuiswonen, de kinderen wilden de spullen niet en wij zijn er blij mee. Als wij komen is het voorbij of bijna voorbij.”

We zijn jaren verder, ze wacht nu zelf in een verpleegtehuis op doorplaatsing naar een verzorgingstehuis in Noord-Limburg, in de buurt van mijn zus. Van wat ik ervan hoor is de stemming verdrietig, het is niet leuk om je verleden achter je te laten. Eens per week ontvangt ze een ansichtkaart met telkens dezelfde tekst, van een vriendin die ook dementeert. De telefoon op haar kamer wordt vaker niet dan wel opgenomen.

Haar huis moet leeg, we gaan er om beurten met haar naartoe om de spullen te stickeren die ze mee wil nemen. Een heel huis stop je niet in twee kamers, hoewel ze dat het liefst wel zou doen.

Wat overblijft gaat naar de kringloopwinkel waar ze zelf werkte.

Een van de medewerkers daar zei dat het soms geen vrolijk werk is, maar dat de klus vaak in een paar uur gepiept was.

„Wij zeggen hier vaak tegen elkaar: ‘Aan het eind van de kringloop komt altijd de verhuiswagen’.”

Na een korte pauze: „Maar dat is intern, dat zeggen we natuurlijk niet tegen die mensen.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.